Niet-geïndiceerde leerlingen

> Het traject voor de niet geïndiceerde leerling
> Wat is indicering?
> Wanneer naar de CGB?
> Wanneer niet naar de CGB?

Het traject voor de niet geïndiceerde leerling
Dankzij de uitbreiding van de wet zijn niet-geïndiceerde leerlingen nu beter beschermd. Een handicap of chronische ziekte is niet gedefinieerd in wet- of regelgeving. Het moet echter wel gaan om een aandoening die in principe onomkeerbaar of langdurig van aard is.

Als u vindt dat de school onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte, dan kunt u de CGB vragen hierover een oordeel uit te spreken. U moet als verzoeker dan wel voldoende feiten kunnen aanvoeren die onderscheid kunnen doen vermoeden. Het verbod op ongelijke behandeling geldt niet bij de toelating tot en deelname aan speciaal onderwijs.

Wat is indicering?
Indicering houdt in dat een leerling ingedeeld wordt in een bepaald cluster. Dit gebeurt door de Commissie voor Indicatiestelling. Aan de indicering is vaak een bedrag verbonden. Deze leerling gebonden financiering (‘rugzakje’) kan worden gebruikt voor bepaalde begeleiding en leermiddelen in het onderwijs. Er bestaan 4 verschillende clusters:

  • cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap.
  • cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps.
  • cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte leerlingen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps.
  • cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Wanneer naar de CGB?
Over de volgende zaken kan de CGB oordelen:

  • Als er een probleem is met de toelating tot de school.
  • Als er een probleem is met het aanbieden van onderwijs. Bijvoorbeeld omdat de school geen aanpassingen biedt.
  • Als er een probleem is bij het afnemen van toetsen. Bijvoorbeeld dat een leerling lagere cijfers haalt door zijn of haar beperking. Of als een leerling niet kan deelnemen aan een toets omdat er geen aanpassingen zijn getroffen, terwijl de leerling hier wél om gevraagd heeft. Dergelijke aanpassingen zijn meer leestijd en een ander/groter lettertype.  
  • Als er een probleem is met het afsluiten van het onderwijs. Bijvoorbeeld als een leerling wordt verwijderd van het onderwijs, omdat de school niet in de leerling wil investeren.
  • Of een niet geïndiceerde leerling door een school voldoende tegemoet is gekomen. Het gaat dan om aanpassingen die worden getroffen om beperkingen op te heffen die de leerling in verband met zijn of haar handicap heeft. Dit betekent dat bijvoorbeeld dyslectici op deze grond bij de CGB terecht kunnen. 
  • Als een leerling feitelijk benadeeld wordt door een school omdat hij of zij gebruik maakt van een Persoonsgebonden budget (PGB) of een uitkering op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) of de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). De leerling moet dan wel een handicap/chronische ziekte hebben en belang hebben of nadeel lijden.

Wanneer niet naar de CGB?
Over de volgende zaken mag de CGB niet oordelen:

  • De Commissie kan geen oordeel uitspreken over het niet indiceren van een leerling. Bijvoorbeeld een dyslectische leerling.
  • De Commissie kan ook geen oordeel uitspreken over de toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB) of de toepassing van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) of de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).
geprint van: http://www.cgb.nl/artikel/niet-ge%C3%AFndiceerde-leerlingen