Tijdens de arbeidsovereenkomst

> Arbeidsvoorwaarden algemeen
> Seniorenregelingen
> Sociaal plan
> Pensioenen 
> Aan pensioen verwante regelingen

Arbeidsvoorwaarden algemeen

  • Arbeidsvoorwaarden die aan bepaalde leeftijdscategorieën bepaalde voordelen toekennen worden doorgaans niet snel objectief gerechtvaardigd bevonden, aangezien deze een uitsluitende werking (kunnen) hebben bij het aannemen van ‘beschermde’ werknemers (oordelen 2007-97, 2007-98 en 2007-99).
  • Grote verschillen in arbeidsvoorwaarden onder en boven een bepaalde leeftijd worden niet snel gerechtvaardigd bevonden (disproportioneel); vloeiende overgangen of het hanteren van ‘bandbreedtes’ met keuzemogelijkheid dienen als alternatieven te worden overwogen.
  • Door overgangsregelingen gecreëerde ongelijkheden mogen niet een te lange looptijd hebben (oordelen 2005-20 en 2005-245).
  • Loonstijgingen gerelateerd aan toename van de arbeidsjaren (anciënniteit) is doorgaans objectief gerechtvaardigd op grond van verschil in ervaring (HvJ EG 17 oktober 1989, C109/88 Danfoss & HvJ EG 3 oktober 2006, C17/05 Cadman).
  • Het (mede) stellen van leeftijdsgrenzen voor het volgen van opleidingen, cursussen etc. gedurende de arbeidsrelatie is verboden, tenzij de investering in de opleiding onevenredig hoog is in verhouding tot de nog resterende arbeidsjaren (oordelen 2005-174 en 2006-157).


Seniorenregelingen

  • Seniorenregelingen (extra vakantiedagen, vermindering van werktijden en dergelijke boven een bepaalde leeftijd) zijn doorgaans niet gerechtvaardigd, tenzij zij ingebed zijn in een door vakbonden en werkgevers tezamen vastgesteld leeftijd(fase)bewust personeelsbeleid (oordelen 2007-97, 2007-98 en 2007-99 en advies 2006/04).
  • Seniorenregelingen om loyaliteit en binding aan het bedrijf te belonen zijn niet gerechtvaardigd, aangezien deze niet passend zijn en anciënniteitregelingen hiervoor een goed alternatief zijn (oordeel 2007-98).


Sociaal plan

  • Bij de beoordeling van de passendheid en noodzakelijkheid van het middel kan de betrokkenheid bij het sociaal plan van met name de vakbonden of OR een rol spelen (advies 2007/05).
  • Het beschermen van de inkomenspositie van ouderen vanwege de minder gunstige arbeidsmarktpositie, wordt als een legitiem doel beschouwd. Hierbij mag rekening worden gehouden met de aanspraak die werknemers hebben op sociale voorzieningen, zoals een VUT/prepensioenregeling (oordeel 2006-210),
  • Dat ouderen een slechtere arbeidsmarktpositie hebben dan jongeren wordt als feit van algemene bekendheid aangenomen (advies 2007/05).
  • Het bepalen van leeftijdsgrenzen tussen ‘ouderen en jongerenregelingen’ vergt goede onderbouwing; eventueel kan aansluiting worden gezocht bij gegevens over de arbeidsmarktsituatie of bij overheidsprogramma’s gericht op participatie van ouderen (advies 2007/05).
  • Het hanteren van de – in de praktijk veelal met meer genuanceerde leeftijdsgrenzen - kantonrechtersformule ter verwezenlijking van de doelstelling, is in beginsel niet strijdig met de WGBL (oordeel 2006-06).
  • Vrijwilligheid en keuzevrijheid in een sociaal plan maken - binnen het vastgesteld budget - een regeling eerder objectief gerechtvaardigd aangezien de verschillen tussen de regelingen voor ouderen en die voor jongeren hierdoor minder groot is. Wordt van dwingende regelingen uitgegaan dan moet kunnen worden aangetoond dat een regeling met meer keuzevrijheid niet mogelijk is (advies 2007/05).

Pensioenen

  • Eindloon- en middelloonpensioenregelingen die een procentueel gelijke premie heft bij werknemers en een gelijkwaardig pensioen oplevert voldoen aan de eisen van de WGBL.
  • Indien vanwege beheersing van de stijgende kosten salarisverhogingen vanaf een bepaalde leeftijd niet of beperkt meetellen voor de pensioenopbouw (mitigering) of wanneer na een bepaalde leeftijd de eindloonregeling overgaat in een geïndexeerde middelloonregeling, dan leidt dat tot verboden leeftijdsonderscheid (oordelen 2004-46 en 2004-122).
  • Loon en pensioen worden als twee verschillende beloningscomponenten beschouwd. Het nemen van loonmaatregelen om de pensioenkosten te beheersen beoordeelt de CGB als niet legitiem (oordelen 2004-46 en 2005-145).
  • Het in een beschikbare premieregeling aan iedereen een gelijke premie (premiepercentage van de pensioengrondslag) bieden of een actuarieel gelijke premie levert geen verboden onderscheid op grond van de WGBL op (oordeel 2004-51).
  • Het hanteren van de zogenoemde fiscale staffel valt onder de uitzondering van art. 8 lid 3 WGBL, of nu wordt uitgegaan van een rekenrente van 4% of van 3%, aangezien in beide situaties het pensioenresultaat voor de verschillende leeftijdsgroepen vergelijkbaar is (oordelen 2005-6 en 2005-7).
  • De verdeling van de pensioenpremie over de werkgever en werknemer waarbij de bijdrage van de werknemer naar leeftijd toeneemt, valt niet onder de uitzondering van artikel 8 lid 3 WGBL en is niet objectief gerechtvaardigd. Dit laatste geldt niet bij een vrijwillige leeftijdsafhankelijke werknemersbijdrage (oordeel 2004-174).

Aan pensioen verwante regelingen

  • Een tijdelijke FPU-regeling (FPU-arrangementen en FPU+ arrangementen) en een levensloopregeling zijn geen pensioenvoorzieningen; de uitzondering voor de toetredingsleeftijd (artikel 8 lid 2 WGBL) is dan ook niet van toepassing. Bij een pakketbeoordeling tussen leeftijdgroepen, zoals in het zgn. Hoofdlijnenakkoord, vormt de levensloopregeling een onderdeel van het pakket en wordt niet apart beoordeeld (oordeel 2005-215).
geprint van: http://www.cgb.nl/artikel/tijdens-de-arbeidsovereenkomst