Toelating

> Openbaar onderwijs 
> Bijzonder onderwijs 
> Het enkele feit
> Toelating leerlingen tot bijzonder onderwijs
> Voeren van specifiek homobeleid
> Stages
> Zorgplicht van de onderwijsinstelling

Op deze pagina zijn enkele oordelen over de toelating van docenten en leerlingen in het openbaar en bijzonder onderwijs opgenomen.

Openbaar onderwijs
Docenten (en medewerkers) aan instellingen van openbaar onderwijs dienen alle beschermde persoonskenmerken en dus ook ieders godsdienst of levensovertuiging te eerbiedigen. De onderwijsinstelling mag medewerkers ook niet (zonder meer) afwijzen vanwege hun godsdienst of levensovertuiging. Een instelling van openbaar onderwijs is gerechtigd te vragen naar de opstelling van de sollicitant ten opzichte van het neutrale karakter van het openbaar onderwijs. In dat licht kan godsdienst, levensovertuiging of politieke overtuiging onderwerp van gesprek zijn. Het verdient dan wel aanbeveling om vooraf het doel van het gesprek aan de betrokken medewerker duidelijk te maken.

Het huldigen van een bepaalde geloofs- of levensovertuiging en het uitdragen hiervan, hoeft een goede functie-uitoefening aan een openbare school niet in de weg te staan. Wel mag een instelling van openbaar onderwijs van haar medewerkers vragen dat zij het uitdragen van hun geloofs- of levensovertuiging op de onderwijsinstelling achterwege laten, wanneer deze een belemmering vormt gelet op het karakter van het openbaar onderwijs.

Het openbaar onderwijs dient voor iedereen toegankelijk te zijn en ieders godsdienst of levensovertuiging dient er te worden geëerbiedigd. Een openbare school moet dan ook in principe elke leerling toelaten. Hiervoor gelden geen wettelijke uitzonderingen.

Oordelen: 1999-18, 1999-103, 2007-153


Bijzonder onderwijs
Voor instellingen van bijzonder onderwijs is in de wet een uitzondering gemaakt op het verbod van onderscheid. Voor de vervulling van een functie mogen zij onderscheidmakende eisen stellen die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Een instelling van bijzonder onderwijs mag bijvoorbeeld in beginsel eisen dat een medewerker de grondslag van de onderwijsinstelling onderschrijft.

Om te beoordelen of een onderwijsinstelling een beroep kan doen op deze uitzondering dient te worden nagegaan of:

  1. er sprake is van een instelling van bijzonder onderwijs en of de onderwijsinstelling consistent is in (de handhaving van) het gevoerde beleid;
  2. de eis gelet op het doel van de onderwijsinstelling noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de grondslag;
  3. de eis niet leidt tot onderscheid op grond van het enkele feit van:
  • politieke gezindheid
  • ras
  • geslacht
  • nationaliteit
  • hetero- of homoseksuele gerichtheid
  • burgerlijke staat

De Commissie toetst slechts marginaal of sprake is van een onderwijsinstelling op godsdienstige of levenbeschouwelijke grondslag. Voor de beoordeling van de consistentie van het beleid is onder meer van belang dat aan alle medewerkers (of functiegroep) dezelfde eisen worden gesteld en op dezelfde wijze worden gehandhaafd. Voor verschillende functies kunnen wel verschillende eisen worden gehanteerd. Ook wordt meegewogen of de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag van de onderwijsinstelling in de praktijk ook daadwerkelijk tot uiting komt, bijvoorbeeld in de vorm van dagelijks bidden of het vieren van religieuze feesten. De gestelde eisen dienen daarbij noodzakelijk te zijn voor de verwezenlijking van de grondslag van de (bijzondere) onderwijsinstelling.

Het enkele feit
Als de noodzaak van de gestelde eis kan worden aangetoond, kan de onderwijsinstelling een geslaagd beroep doen op de uitzondering, tenzij zij hiermee onderscheid maakt op grond van het enkele feit van de beschermde grond.

Tijdens de totstandkoming van de AWGB is veel gediscussieerd over de homoseksuele docent in het christelijk onderwijs. Het enkele feit van de seksuele gerichtheid heeft betrekking op de gerichtheid van een persoon in seksuele gevoelens, liefdesgevoelens, liefdesuitingen en -relaties. Wanneer een homoseksuele leraar een relatie heeft en met een partner van hetzelfde geslacht samenleeft, mag hij niet om die reden worden afgewezen. Dan is sprake van onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid. Er kunnen bijkomende omstandigheden zijn waardoor er geen sprake is van onderscheid op grond van het enkele feit. Deze bijkomende omstandigheden hebben betrekking op gedragingen die afbreuk doen aan het functioneren van de leerkracht op een bepaalde school met een bepaalde opvatting.

De uitzondering voor bijzonder onderwijs staat ter discussie. De Commissie heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in maart 2008 over deze uitzondering geadviseerd (Advies 2008-02, inzake de ingebrekestelling van Nederland door de Europese Commissie in verband met het niet correct omzetten van Richtlijn 2000/78/EG). In dat advies heeft de Commissie geconcludeerd dat de algemene uitzondering van artikel 5, tweede lid, onderdeel c, AWGB niet in lijn is met de Richtlijn en herformulering verdient.

Toelating leerlingen tot bijzonder onderwijs
Een instelling van bijzonder onderwijs mag ten aanzien van de toelating van leerlingen onderscheidmakende eisen stellen en bijvoorbeeld leerlingen van een andere denominatie weigeren. De toets of de onderwijsinstelling een geslaagd beroep kan doen op deze uitzondering, is dezelfde als ten aanzien van de uitzonderingsbepaling van medewerkers. Wel mogen wat betreft de toelating tot en deelname van leerlingen aan het onderwijs minder stringente eisen worden gesteld dan aan medewerkers van een instelling van bijzonder onderwijs.

Oordelen: 2003-112, 2007-100


Voeren van specifiek homobeleid.

Een docent die openlijk voor zijn homoseksuele voorkeur uitkomt, heeft zijn werkgever gevraagd in het veiligheidsbeleid expliciet aandacht aan homotolerantie te besteden. De werkgever, een scholengemeenschap voor voortgezet onderwijs, is hier in zijn ogen onvoldoende aan tegemoet gekomen. Een wettelijk aanknopingspunt scholen te verplichten hun veiligheidsbeleid te expliciteren op het punt van homoseksuele voorkeur, ontbreekt vooralsnog. In concrete gevallen kan het echter toch noodzakelijk zijn dat een werkgever specifieke aspecten van homodiscriminatie in zijn veiligheidsbeleid expliciteert. De Commissie Gelijke Behandeling stelt vast dat de scholengemeenschap zich de zorg voor de bescherming van haar personeel (en leerlingen) tegen discriminatie heeft aangetrokken. Zij heeft dit gedaan in het kader van haar veiligheidsbeleid, met dien verstande dat zij hierbij gebruik maakt van algemene, neutrale termen. In deze zaak oordeelt de CGB dat een expliciet homobeleid niet noodzakelijk is en dat de scholengemeenschap aan haar zorgplicht heeft voldaan.

Oordeel: 2006-13

Stages
Het volgen van een stage is in veel opzichten vergelijkbaar met het vervullen van een arbeidsplaats. Maar het is ook een onderdeel van de opleiding of studie. Onderwijs en daarmee ook stages zijn het voorportaal van de plek die mensen hun verdere leven hebben op de arbeidsmarkt.

De oordelen over stages  zijn onder te verdelen in drie stadia van het stageproces

  1. Het vinden van en aangenomen worden voor een stageplek. De onderwijsinstelling kan een leerling daarbij actief steunen of ervoor kiezen om zich terughoudend op te stellen. Een stageaanbieder kan de sollicitatieprocedure op uiteenlopende manieren vormgeven en verschillende criteria een rol laten spelen bij de aanname. Bij de werving en selectie van een stagiair dient de werkgever een zorgvuldige, individuele afweging te maken over de geschiktheid van de kandidaat. Bij het beoordelen van de geschiktheid mogen stereotyperingen die leiden tot onderscheid geen rol spelen. Zo leverde de afwijzing door een beveiligingsbedrijf van een stagiair vanwege zijn lange haardracht, verboden onderscheid op grond van geslacht op (2006-73).
  2. Het krijgen van de juiste begeleiding. Het is belangrijk dat de onderwijsinstelling voor de juiste begeleiding zorgt en dat de stageaanbieder zich inspant een werkplek te bieden waar mensen niet ongelijk behandeld worden. Wanneer een (PABO)stagiaire die een hoofddoek draagt een stage loopt bij een onderwijsinstelling, dient de onderwijsinstelling de stagiair te beschermen tegen ongelijke behandeling bij: het zelf aanbieden van onderwijs; bij het bemiddelen en toewijzen; de behandeling tijdens een stage; dit kan door het opstellen van een klachtenprocedure, gedragsprocedure of het instellen van een vertrouwenspersoon (2001-14 en 1999-79).
  3. Aan het eind van het stagetraject kan ook bij de beëindiging sprake zijn van verboden onderscheid. Dat kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een voortijdige beëindiging naar aanleiding van een discriminerende beoordeling van een stage. Zo mag zwangerschap geen reden zijn om a priori tot een verlenging van de stageperiode te besluiten (2000-8 en 1999-75).

Zorgplicht van de onderwijsinstelling bij stages
Onderwijsinstellingen hebben een zorgplicht bij het voorkomen van discriminatie door het eigen personeel en door stageaanbieders. Van onderwijsinstellingen mag worden verwacht dat zij naar studenten en stageaanbieders een pro-actief beleid voeren. Bijvoorbeeld door het verstrekken van duidelijkheid over de (on)toelaatbaarheid van het stellen van discriminatoire selectie-eisen. Hoewel er uit de verdere gelijkebehandelingswetgeving geen verplichtingen voor stagiairs voortvloeien, kan van stagiairs worden verwacht dat zij in alle stadia van de stage duidelijk en tijdig communiceren om eventuele klachten en problemen, die verband houden met discriminatie, kenbaar te maken.

geprint van: http://www.cgb.nl/artikel/toelating