- Home
- Over CGB
- Dossiers
- Oordelen
- Publicaties
- Nieuws
- Wetgeving
- Art. 1 Grondwet
- Over de wetgeving
- Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
- Art. 7:646 t/m 7:649 BW
- Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
- Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)
- Artikel 125g en 125h van de Ambtenarenwet (AW)
- Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) voor ambtenaren
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling
- FAQ
Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
Wet van 1 maart 1980, houdende aanpassing van de Nederlandse wetgeving aan de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen
Wij Juliana, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo
Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is de
Nederlandse wetgeving aan te passen met het oog op de richtlijn van de
Raad van de Europese Gemeenschappen van 9 februari 1976 inzake de
gelijke behandeling van mannen en vrouwen;
Zo is het, dat Wij, de
Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal,
hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij
deze:
§ 1. Algemeen
Artikel 1
In deze wet
wordt onder onderscheid verstaan direct en indirect onderscheid alsmede
de opdracht tot het maken van onderscheid. Onder direct onderscheid
wordt verstaan onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder direct
onderscheid wordt mede verstaan, onderscheid op grond van zwangerschap,
bevalling en moederschap.
Onder indirect onderscheid wordt
verstaan onderscheid op grond van andere hoedanigheden dan het
geslacht, bijvoorbeeld echtelijke staat of gezinsomstandigheden, dat
onderscheid op grond van geslacht tot gevolg heeft.
Artikel 1a
1.
Het in deze wet neergelegde verbod van direct onderscheid houdt mede in
een verbod op intimidatie en een verbod op seksuele intimidatie.
2.
Onder intimidatie als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: gedrag
dat met het geslacht van een persoon verband houdt en dat tot doel of
gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en dat
een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende
omgeving wordt gecreëerd.
3. Onder seksuele intimidatie als bedoeld
in het eerste lid wordt verstaan: enige vorm van verbaal, non-verbaal
of fysiek gedrag met een seksuele connotatie dat als doel of gevolg
heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast, in het
bijzonder wanneer een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende
of kwetsende situatie wordt gecreëerd.
4. Het is niet toegelaten een
persoon te benadelen wegens de omstandigheid dat deze het in het tweede
en derde lid bedoelde gedrag afwijst of lijdzaam ondergaat.
5. De
artikelen 3, tweede lid, 4, tweede lid, en 5, eerste en tweede lid,
zijn niet van toepassing op het verbod van intimidatie en seksuele
intimidatie, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 1b
1. In
de openbare dienst mag het bevoegd gezag geen onderscheid maken bij de
aanstelling tot ambtenaar of indienstneming op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht, in de arbeidsvoorwaarden, bij de
arbeidsomstandigheden, bij het verstrekken van onderricht, bij de
bevordering en bij de beëindiging van het dienstverband.
2. Tot
de openbare dienst, bedoeld in het eerste lid, worden gerekend alle
instellingen, diensten en bedrijven door de staat en de openbare
lichamen beheerd.
3. Van het in het eerste lid bepaalde mag
worden afgeweken in de gevallen waarin het de bescherming van de vrouw
betreft, met name in verband met zwangerschap en moederschap.
4.
Het bevoegd gezag mag het dienstverband van degene die krachtens
aanstelling of arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam is in
de openbare dienst niet beëindigen of betrokkene niet anderszins
benadelen wegens de omstandigheid dat deze in of buiten rechte een
beroep heeft gedaan op het in het eerste lid bepaalde of terzake
bijstand heeft verleend.
5. De beëindiging van de
arbeidsovereenkomst van degene die op arbeidsovereenkomst naar
burgerlijk recht werkzaam is in openbare dienst door het bevoegd gezag
in strijd met deze wet, is vernietigbaar. Artikel 647 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing.
6. Elk beding dat strijdig is met het in het eerste lid bepaalde is nietig.
Artikel 1c
Ingeval
een natuurlijke persoon, rechtspersoon of bevoegd gezag een ander onder
zijn gezag arbeid laat verrichten, anders dan krachtens
arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of ambtelijke aanstelling,
zijn de artikelen 646 en 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van
overeenkomstige toepassing.
Artikel 2
1. Het is niet
toegelaten onderscheid te maken met betrekking tot de voorwaarden voor
de toegang tot en de mogelijkheden tot uitoefening van en ontplooiing
binnen het vrije beroep, alsmede wat betreft regelingen tussen
beroepsgenoten inzake sociale zekerheid niet zijnde
pensioenvoorzieningen als bedoeld in artikel 12a.
2. Indien een
regeling als bedoeld in het eerste lid betrekking heeft op ziekte of
arbeidsongeschiktheid mag daarin geen uitzondering worden gemaakt voor
zwangerschap en bevalling, onverminderd de bevoegdheid bepalingen op te
nemen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik.
3. Elke
bepaling van een regeling als bedoeld in het eerste lid, die in strijd
is met het in het eerste of tweede lid bepaalde is nietig.
Artikel 3
1. Het
is niet toegelaten onderscheid te maken bij de aanbieding van een
betrekking, bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande
betrekking of bij arbeidsbemiddeling.
2. Van het in het eerste
lid bepaalde mag worden afgeweken in die gevallen waarin ingevolge deze
of enige andere wet bij het aanbieden van een betrekking onderscheid
tussen mannen en vrouwen mag worden gemaakt en, voor zover het betreft
een openlijke aanbieding van een betrekking, de grond voor dat
onderscheid daarbij uitdrukkelijk wordt vermeld.
3. Het aanbieden
van een betrekking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt wat betreft
tekst en vormgeving zodanig, dat duidelijk blijkt, dat zowel mannen als
vrouwen in aanmerking komen.
4. Indien voor de aangeboden
betrekking een functiebenaming wordt gebruikt, wordt of zowel de
mannelijke als de vrouwelijke vorm gebruikt, of uitdrukkelijk vermeld,
dat zowel vrouwen als mannen in aanmerking komen.
5. Wanneer
iemand ter zake van een aanbieding in strijd met het in deze wet
bepaalde uit onrechtmatige daad jegens een ander aansprakelijk is, kan
de rechter hem op vordering van die ander ook veroordelen tot
openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aan te geven
wijze.
Artikel 4
1. De natuurlijke persoon of de
rechtspersoon die een beroepsopleiding, voortgezette beroepsopleiding
of cursus voor bijscholing of omscholing onder welke benaming dan ook
in stand houdt, dan wel de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een
examen verband houdend met de hiervoor bedoelde opleidingen of
cursussen afneemt, mag bij de toelating tot en de behandeling binnen de
opleiding, dan wel bij het afnemen van het examen, geen onderscheid
maken noch ten aanzien van de criteria noch ten aanzien van de niveaus.
2. Van het in het eerste lid van dit artikel bepaalde mag,
behoudens voor wat betreft het afnemen van het examen en mits voor
leerlingen van beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig
zijn, worden afgeweken indien de eigen aard van een instelling voor
bijzonder onderwijs zich tegen het in dat lid bepaalde verzet.
3. Iedere bepaling die strijdig is met het in het eerste lid bepaalde, is nietig.
Artikel 4a
1.
Het is niet toegelaten onderscheid te maken bij het lidmaatschap van of
de betrokkenheid bij een werknemers- of werkgeversorganisatie of een
vereniging van beroepsgenoten, alsmede bij de voordelen die uit dat
lidmaatschap of uit die betrokkenheid voortvloeien.
2. Iedere bepaling die in strijd is met het eerste lid is nietig.
Artikel 5
1. Van
het in de artikelen 1b , 2, 3 en 4 bepaalde mag worden afgeweken indien
het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te
plaatsen teneinde nadelen op te heffen of te verminderen en het
onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
2.
Voor zover het betreft de toegang tot beroepsactiviteiten of de
hiervoor noodzakelijke opleidingen mag van de artikelen 1b, 2, 3 en 4
worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een
kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de
aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context
waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend
beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig
aan dat doel is.
3. Als beroepsactiviteiten en hiervoor
noodzakelijke opleidingen waarvoor een kenmerk als bedoeld in het
tweede lid, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is, worden
slechts beschouwd die welke behoren tot respectievelijk opleiden voor
een of meer van de volgende categorieën:
a. geestelijke ambten;
b. de
beroepsactiviteiten van acteur, actrice, zanger, zangeres, danser,
danseres of van kunstenaar of kunstenares, voor zover deze activiteiten
betrekking hebben op het vertolken van bepaalde rollen;
c. overige beroepsactiviteiten, nader bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen.
Artikel 6
Het
in deze wet neergelegde verbod van onderscheid geldt niet ten aanzien
van indirect onderscheid, indien dat onderscheid objectief
gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het
bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Artikel 6a
Indien
degene die meent dat te zijnen nadeel een onderscheid is of wordt
gemaakt als bedoeld in deze wet, in rechte feiten aanvoert die dat
onderscheid kunnen doen vermoeden, dient de wederpartij te bewijzen dat
niet in strijd met deze wet is gehandeld.
§ 2. Gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde
Artikel 7
1. Bij
de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek
wordt voor de vergelijking van de in dat artikel bedoelde
arbeidsvoorwaarden met betrekking tot het loon uitgegaan van het loon
dat in de onderneming waar de werknemer in wiens belang de
loonvergelijking wordt gemaakt werkzaam is, door een werknemer van de
andere kunne voor arbeid van gelijke waarde dan wel, bij gebreke
daarvan, voor arbeid van nagenoeg gelijke waarde pleegt te worden
ontvangen.
2. Onder loon als bedoeld in het eerste lid wordt
verstaan de vergoeding door de werkgever aan de werknemer verschuldigd
terzake van diens arbeid.
Artikel 8
Voor de toepassing
van artikel 7 wordt arbeid gewaardeerd volgens een deugdelijk stelsel
van functiewaardering, waarbij zoveel mogelijk wordt aangesloten bij
het stelsel dat gebruikelijk is in de onderneming waarin de
belanghebbende werknemer werkzaam is. Bij gebreke van een zodanig
stelsel wordt de arbeid, gelet op de beschikbare gegevens, naar
billijkheid gewaardeerd.
Artikel 9
1. Voor de
toepassing van artikel 7 wordt het loon van de belanghebbende werknemer
geacht gelijk te zijn aan het loon dat een werknemer van de andere
kunne voor arbeid van gelijke waarde pleegt te ontvangen, indien het is
berekend op grondslag van gelijkwaardige maatstaven.
2. Voor de
toepassing van artikel 7 worden andere dan geldelijke loonbestanddelen
in aanmerking genomen naar de waarde, welke daaraan in het economisch
verkeer kan worden toegekend.
3. Ingeval een arbeidsduur is
overeengekomen, welke korter is dan die welke in overeenkomstige
arbeidsverhoudingen in de regel geacht wordt een volledige
dienstbetrekking te vormen, wordt het loon, voorzover het naar
tijdsduur wordt berekend, naar evenredigheid verminderd.
Artikel 10
Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld omtrent het in de artikelen 7, 8 en 9 bepaalde.
Artikel 11 [Vervallen per 04-10-2000]
Artikel 12
Bij de toepassing van de artikelen 1b en 1c van deze wet is deze paragraaf van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Gelijke behandeling wat betreft pensioenvoorzieningen
Artikel 12a
Voor
de toepassing van het in deze paragraaf bepaalde wordt verstaan onder
pensioenvoorziening: een pensioenvoorziening ten behoeve van een of
meer personen, uitsluitend in verband met hun werkzaamheden in een
onderneming, bedrijfstak, tak van beroep of openbare dienst, in
aanvulling op een wettelijk stelsel van sociale zekerheid en, ingeval
van een voorziening ten behoeve van een persoon, anders dan door die
persoon zelf tot stand gebracht.
Artikel 12b
1. Het is
ook aan anderen dan de werkgever bedoeld in artikel 646 van Boek 7 van
het Burgerlijk Wetboek of het bevoegd gezag bedoeld in artikel 1b niet
toegestaan onderscheid te maken wat betreft de bepaling van de kring
van personen voor wie een pensioenvoorziening tot stand wordt gebracht,
wat betreft de bepaling van de inhoud van een pensioenvoorziening of
wat betreft de wijze van uitvoering daarvan.
2. Bepalingen
krachtens welke de verwerving van pensioenaanspraken wordt onderbroken
gedurende de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof op grond
van een wettelijke bepaling of overeenkomst, worden voor de toepassing
van artikel 646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 1b en
het eerste lid beschouwd als strijdig met het verbod van ongelijke
behandeling van mannen en vrouwen.
Artikel 12c
1.
Indien het pensioen niet wordt berekend op grond van de geldelijke
bijdrage van de werkgever ten behoeve van de aan diens onderneming
verbonden persoon dan wel van de tot de betrokken tak van beroep
behorende persoon, blijft de omvang van de geldelijke bijdrage van de
werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1b en 12b buiten beschouwing,
voor zover dat gerechtvaardigd is in verband met voor mannen en vrouwen
verschillende actuariële berekeningselementen.
2. Indien het
pensioen wordt berekend of mede wordt berekend op grond van de
geldelijke bijdrage van de werkgever ten behoeve van de aan diens
onderneming verbonden persoon blijft de omvang van de geldelijke
bijdrage van de werkgever voor de toepassing van artikel 646 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 1b en 12b buiten
beschouwing en wordt:
a. of de omvang van dat pensioen voor mannen en vrouwen gelijk getrokken;
b.
of die geldelijke bijdrage zodanig vastgesteld dat naar het inzicht op
het tijdstip van vaststelling, de omvang van de pensioenen voor mannen
en vrouwen gelijk wordt getrokken.
3. Indien het pensioen niet wordt berekend op grond van de geldelijke bijdrage van de tot de betrokken tak van beroep behorende persoon blijft de omvang van de geldelijke bijdrage voor de toepassing van artikel 12b buiten beschouwing voor zover dat gerechtvaardigd is in verband met voor mannen en vrouwen verschillende actuariële berekeningselementen.
4. Indien het pensioen wordt berekend of mede wordt berekend op grond van de geldelijke bijdrage van de tot de betrokken tak van beroep behorende persoon wordt de omvang van het pensioen dan wel de omvang van de geldelijke bijdrage voor de toepassing van artikel 12b buiten beschouwing gelaten voor zover dat gerechtvaardigd is in verband met de voor mannen en vrouwen verschillende actuariële berekeningselementen en daarmee wordt beoogd de omvang van de pensioenen voor mannen en vrouwen gelijk te trekken of meer met elkaar in overeenstemming te brengen.
5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het tweede lid.
Artikel 12d
In
afwijking van artikel 12b zijn toegestaan bepalingen die betrekking
hebben op bescherming van de vrouw met name in verband met zwangerschap
en moederschap.
Artikel 12e
Iedere bepaling die strijdig is met het verbod van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen bedoeld in artikel 12b is nietig.
Artikel 12f
Het
bepaalde in artikel 647 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is van
overeenkomstige toepassing bij beëindiging van de dienstbetrekking door
de werkgever wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten
rechte een beroep heeft gedaan op het bepaalde in artikel 12b.
Artikel 13-20 [Vervallen per 01-09-1994]
Artikel 20a [Vervallen per 01-07-1994]
§ 4. Slotbepalingen
Artikel 21
1. Met
het toezicht op de naleving van artikel 646 van Boek 7 van het
Burgerlijk Wetboek en van het bepaalde bij of krachtens deze wet, zijn
belast de bij besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid aangewezen ambtenaren. Onze Minister van Sociale Zaken
en Werkgelegenheid kan ten behoeve van dit toezicht een onderzoek doen
instellen door die ambtenaren. Voorzover het de openbare dienst betreft
kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken Onze Minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid verzoeken een onderzoek als bedoeld in de
tweede volzin te doen instellen. Van een besluit als bedoeld in de
eerste volzin wordt mededeling gedaan door plaatsing in de
Staatscourant.
2. Indien uit een onderzoek blijkt dat een
onderscheid is of wordt gemaakt als bedoeld in artikel 646 van Boek 7
van het Burgerlijk Wetboek of in deze wet doet Onze Minister van
Sociale Zaken en Werkgelegenheid hiervan mededeling aan de natuurlijke
persoon, rechtspersoon of het bevoegde gezag dat het onderscheid heeft
gemaakt of maakt, en, indien het een onderscheid als bedoeld in artikel
646 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 1b of artikel 1c
van deze wet betreft, aan de betrokken ondernemingsraad of het daarmee
vergelijkbare medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in
aanmerking komende organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het
beroepsleven of van overheidspersoneel.
De mededeling aan de
betrokken ondernemingsraad of het daarmee vergelijkbare
medezeggenschapsorgaan, alsmede aan de daarvoor in aanmerking komende
organisaties van werkgevers, van werknemers, uit het beroepsleven of
van overheidspersoneel bevat geen gegevens waaruit de identiteit van de
in het onderzoek betrokken personen ten nadele van wie het onderscheid
is of wordt gemaakt kan worden afgeleid.
Artikel 22 [Vervallen per 01-01-1994]
Artikel 23
De
voordracht tot wijziging van een algemene maatregel van bestuur als
bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel c , en de voordracht voor
een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 10 wordt niet
gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt en
aan een ieder de gelegenheid is geboden om binnen vier weken na de dag
waarop de bekendmaking is geschied, wensen en bedenkingen ter kennis
van Onze minister te brengen. Gelijktijdig met de bekendmaking wordt
het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal overgelegd.
Artikel 24
1. Deze wet kan worden aangehaald als: Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen.
2.
Deze wet treedt in werking met ingang van de tweede dag na de datum van
uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
Lasten en
bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle
ministeriële departementen, autoriteiten, colleges en ambtenaren, wie
zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven te Lech, 1 maart 1980
Juliana
De Minister van Justitie, J. de Ruiter
De Minister van Sociale Zaken, Albeda
De Minister van Onderwijs en Wetenschappen, A. Pais
De Staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, J. G. Kraaijeveld-Wouters
De Minister van Binnenlandse Zaken, H. Wiegel
Uitgegeven de dertiende maart 1980
De Minister van Justitie,
J. de Ruiter
- Art. 1 Grondwet
- Over de wetgeving
- Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
- Art. 7:646 t/m 7:649 BW
- Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
- Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)
- Artikel 125g en 125h van de Ambtenarenwet (AW)
- Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) voor ambtenaren
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling
Een klacht indienen?

De functie om elektronisch klachten in te dienen is om technische redenen tijdelijk niet beschikbaar. Onze verontschuldigingen daarvoor.
Als u een klacht wilt indienen dan kunt u contact opnemen met de Commissie Gelijke Behandeling (030 888 38 88). Ook kunt u hier een klachtenformulier downloaden. Dit kunt u invullen en vervolgens sturen naar:
Commissie Gelijke Behandeling
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
Of faxen naar 030 888 38 83.
Heeft u vragen dan kunt contact opnemen met de CGB op 030 888 38 88 of via info@cgb.nl
