Pensioentoezegging waarbij een naar leeftijd gedifferentieerde premie beschikbaar wordt gesteld niet in strijd met WGB l. Naar leeftijd gedifferentieerde werknemersbijdrage bij beschikbare premieregeling in strijd met de WGB l.

Terug naar de samenvatting »

Volledig oordeel

Oordeel
2004-51

Dossiernummer: 2004-0034

op het verzoekschrift van 12 januari 2004 van
. . . .
gevestigd te Den Haag, verzoekster
verschenen in de personen van . . . . , beleidsmedewerker, en . . . . , medewerker fiscaal juridische afdeling

Verzoek om een oordeel omtrent eigen handelen

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster, een pensioenverzekeraar, de Commissie Gelijke Behandeling, hierna de Commissie, verzocht om een oordeel over drie vragen met betrekking tot de toepassing van een eigen bijdrage van een werknemer binnen een beschikbare premieregeling.

1.2 Op 10 februari 2004 heeft de Commissie verzoekster schriftelijk een aantal vragen gesteld. Op 3 maart 2004 heeft de Commissie de antwoorden van verzoekster ontvangen.

1.3 Op 23 maart 2004 heeft de Commissie een zitting gehouden waar verzoekster onder meer een nadere toelichting heeft gegeven op haar verzoek.

2 Verzoek

2.1 Een pensioenverzekeraar is aansprakelijk voor een juiste uitvoering van pensioenregelingen van haar klanten. Omdat deze regelingen moeten voldoen aan de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd, Stb. 2004, 30, (WGB l), stelt zij een aantal vragen gebaseerd op de volgende casus:
Een werkgever zegt een fiscaal maximaal ouderdomspensioen vanaf 65 jaar toe op basis van een beschikbare premie, volgens de OP-staffel uit het Staffelbesluit van de staatssecretaris van Financiën, Besluit van 28 april 2003, nr. CPP2003/308M
(Staffelbesluit).
De staffels zijn gebaseerd op een opbouw van ouderdomspensioen per jaar van
2,25% van de pensioengrondslag. De pensioengrondslag is slechts afhankelijk van
salaris en de hoogte van de AOW, deze opbouw is derhalve onafhankelijk van de
leeftijd. Het stijgen van de premie is het gevolg van actuariële grondslagen waarop de
premie is gebaseerd.

Verzoekster legt de volgende modellen voor aan de Commissie.

2.2 Model 1.
Bij model 1 wordt een beschikbare premie toegezegd die is gebaseerd op de OP-staffel uit het Staffelbesluit en wordt de eigen bijdrage van werknemers vastgesteld op een bepaald percentage van die beschikbare premie.

Voorbeeld:
Eigen bijdrage is 50% van de premie volgens de staffel.
Bij een salaris van " 41.366,- is de pensioenpremie voor een 25-jarige 6,7% x " 30.000,-
(= salaris -/- AOW-franchise ad " 11.366,-) = " 2.010,-. De eigen bijdrage is 50% hiervan, derhalve " 1.005,-.
Bij hetzelfde salaris is de pensioenpremie voor een 45-jarige collega 15% x " 30.000,- =
" 4.500. De eigen bijdrage is 50% hiervan, derhalve " 2.250,-.

2.3 Model 2.
Bij model 2 stelt de werkgever een bepaald percentage van de OP-staffel uit het Staffelbesluit als premie beschikbaar. Daarnaast biedt hij de werknemer de mogelijkheid om op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aan te vullen, maximaal tot 100% van de staffel.

Voorbeeld:
Toezegging is een beschikbare premie op basis van50% van de staffel.
De toezegging van de werkgever betekent dat:
 de 25-jarige collega aan pensioenpremie mag betalen tussen " 0,- en " 1.050,-
(50% x 6,7% van zijn pensioengrondslag);
 de 45-jarige collega aan pensioenpremie een bedrag mag betalen tussen " 0,- en
" 2.250,- (50% x 15% van zijn pensioengrondslag).

2.4 Model 3.
Ter zitting heeft verzoekster model 3 toegevoegd.
Bij model 3 stelt de werkgever een gelijk percentage (te weten het laagste percentage van de staffel) van de pensioengrondslag als premie beschikbaar. Daarbij biedt hij aan werknemers de mogelijkheid om het pensioen vrijwillig aan te vullen, waarbij de bijdrage van de werknemer is gebaseerd op de beschikbare premie uit de staffel.

2.5 Verzoekster heeft de Commissie verzocht haar opvatting, dat geen van deze modellen in strijd is met de WGB l, te toetsen.

3 Standpunt van verzoekster en gronden van het verzoek

3.1 Verzoekster is van mening dat er in deze drie situaties geen sprake is van een verboden onderscheid op grond van leeftijd, omdat dit onder de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGB l valt.

3.2 In het eerste voorbeeld bij model 1, betaalt iedere werknemer volgens verzoekster, onafhankelijk van zijn leeftijd, een gelijk deel van de beschikbare premie. Door gebruik van actuariële grondslagen bij verschillende leeftijden loopt die beschikbare premie per leeftijdscohort op.

3.3 De ruimere mogelijkheid die bij model 2 en 3 aan de oudere werknemer wordt geboden om het pensioen aan te vullen is ook gebaseerd op de staffel, waarvan de toename met de leeftijd is terug te voeren op actuariële grondslagen.

3.4 De verschillende premies voor de diverse leeftijdscohorten bij dezelfde pensioengrondslag leiden tot dezelfde pensioenen op pensioendatum. Het zou volgens verzoekster geen verschil moeten maken of de premie geheel voor rekening komt van de werkgever of voor een deel voor de rekening van de werknemer. Er is in die situatie weliswaar sprake van eigen bijdragen die afhankelijk van de leeftijd verschillen, maar ondanks die premieverschillen leidt het op de pensioendatum tot hetzelfde pensioen.

3.5 In de situaties die verzoekster heeft genoemd bij model 1, 2 en 3 is sprake van een eigen bijdrage van de werknemer die afhankelijk is van de leeftijd van de deelnemer. Aangezien de hoogte van deze premie is gebaseerd op actuariële berekeningen is volgens verzoekster de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGB l van toepassing. Dit houdt in dat er geen sprake is van verboden onderscheid op grond van leeftijd.

3.6 Verzoekster gaat, omdat zij van mening is dat er geen verboden onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt, slechts in algemene zin in op de objectieve rechtvaardiging van het onderscheid.

3.7 Een werkgever is niet verplicht om zijn werknemers pensioen toe te zeggen. Toch doen veel werkgevers dit wel omdat pensioen door werknemers als een belangrijke arbeidsvoorwaarde wordt gezien. Ook de overheid hecht er waarde aan dat zo veel mogelijk mensen een pensioentoezegging krijgen. Een pensioentoezegging heeft voor de werknemers uiteraard meer waarde naarmate het uiteindelijke resultaat dichter in de buurt komt van het fiscaal maximaal toegestane pensioen van 70% van het laatstverdiende loon (inclusief AOW-uitkering).

3.8 De werkgever kan bij het toezeggen van pensioen grofweg kiezen voor 2 opties: een goede toezegging doen en de werknemers daarvan een deel laten betalen (model 1) of een minder goede toezegging doen, zonder eigen bijdrage van de werknemers (eventueel met de toezegging dat werknemers op eigen kosten de regeling kunnen verbeteren, hetgeen het geval is in model 2).

3.9 Hierbij heeft de werkgever een naar de mening van verzoekster gerechtvaardigd verlangen voor ogen om de kosten van de pensioenvoorziening op een aanvaardbaar niveau te houden. Dit is van belang voor het bedrijf en de beheersing van de personeelskosten is ook macro-economisch van belang. In de huidige markt is het dan ook zeer gebruikelijk dat de werknemer een eigen bijdrage betaalt. Indien de hoogte van deze bijdrage wordt beperkt of gewijzigd met als gevolg dat de volledige bijdrage van alle werknemers gezamenlijk vermindert, dan zal dit in het algemeen tot gevolg hebben dat het niveau van de pensioenvoorziening zal worden versoberd om de kosten van de regeling toch op het gewenste niveau te houden. Dit zou voor iedereen (jong en oud) leiden tot een lager inkomen na pensionering.

3.10 Desgevraagd heeft verzoekster verklaard dat er een onderscheid gemaakt moet worden tussen pensioenvoorzieningen die worden uitgevoerd door pensioenfondsen en die worden uitgevoerd door pensioenverzekeraars. Het hanteren van een doorsneepremie komt met name voor bij pensioenfondsen. Pensioenvoorzieningen bij een pensioenverzekeraar worden gefinancierd op basis van actuariële premies per werknemer. Het vragen van een doorsneepremie van werknemers zal in dat geval niet werkbaar zijn, omdat personeelsbestanden van werkgevers vaak veranderen, waardoor de eigen bijdrage maandelijks zou moeten worden aangepast.

3.11 Op zich is het volgens verzoekster mogelijk dat de werkgever bij een beschikbare premieregeling de keuze heeft de eigen bijdrage de vorm te geven van een voor iedereen in euro"s gelijk bedrag of een gelijk percentage van de pensioengrondslag. In deze pensioenvoorziening betaalt de werkgever voor zijn oudere werknemers relatief meer aan de pensioenvoorziening dan voor de jongere werknemers. Werkgevers zullen er volgens verzoekster niet toe geneigd zijn om voor oudere werknemers meer te betalen, waardoor de pensioenvoorziening zou versoberen.
Bovendien kan de situatie zich voordoen dat een jongere werknemer zelfs meer betaald dan de premie die de werkgever voor hem afdraagt. Dit laatste zou voorkomen kunnen worden door ieders eigen bijdrage te verminderen tot het laagste percentage van de staffel, maar ook hierdoor zou de regeling versoberen.

3.12 Met de financiering zoals in de drie opties omschreven brengt de werkgever een verdeling van de kosten van de pensioenvoorziening aan, die voor iedere werknemer relatief dezelfde last oplevert.

4 Beoordeling van het verzoek

4.1 De WGB l is op 1 mei 2004 in werking getreden. Het verzoek is ingediend vóór deze datum. Het heeft echter betrekking op situaties die zich op en na 1 mei 2004 kunnen voordoen. De Commissie acht zich derhalve bevoegd een oordeel te geven over de vraag of verzoekster in strijd met de WGB l handelt als ze de drie voorgelegde modellen hanteert.

Model 1. De beschikbare premie die wordt toegezegd is gebaseerd op de OP-staffel uit het Staffelbesluit en de eigen bijdrage van werknemers wordt vastgesteld op een bepaald percentage van die beschikbare premie.
4.2 Bij model 1 wordt een pensioentoezegging gedaan waarbij de door de werkgever beschikbaar gestelde premie bij het toenemen van de leeftijd cohortsgewijs toeneemt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar leeftijdsgroepen en derhalve is sprake van onderscheid naar leeftijd.

4.3 Artikel 8, derde lid WGB l bepaalt echter dat het verbod van onderscheid niet van toepassing is op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden.
Blijkens de parlementaire geschiedenis van de WGB l is het onderscheid dat in dit geval op grond van leeftijd wordt gemaakt toegestaan, mits het verschil in premie is terug te voeren op actuariële berekeningen, zodat daarmee voor alle leeftijdscategorieën een zelfde pensioen wordt bereikt (Kamerstukken I, 2003/04, 28 170, C, p. 2-3.)
Aangezien het verschil in beschikbare premie in het Staffelbesluit is terug te voeren op actuariële berekeningen waarbij met leeftijd rekening is gehouden, valt het beschikbaar stellen van de leeftijdsafhankelijke premie onder de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGB l en is derhalve het verbod van onderscheid op grond van leeftijd niet van toepassing.

4.4 Ten aanzien van de vraag of het vaststellen van de eigen bijdrage van de werknemer die gelijk is aan een percentage van de beschikbare premie, oordeelt de Commissie als volgt.
Blijkens de parlementaire geschiedenis mag een werkgever een van de leeftijd van de werknemer afhankelijke premie beschikbaar stellen, mits het verschil in beschikbare premies is terug te voeren op actuariële berekeningen. In een brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 maart 2004 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, in antwoord op de brief van 1 juli 2003 met kenmerk AV/BP/03/51949, stelt de minister dat onderscheid op grond van leeftijd bij beschikbare premieregelingen in principe is verboden. Pensioenen, waaronder begrepen de beschikbare premieregelingen, vormen immers een onderdeel van de arbeidsvoorwaarden en artikel 3, aanhef, onderdeel e, WGB l verbiedt onderscheid op grond van leeftijd bij de arbeidsvoorwaarden. Op grond hiervan is onderscheid op grond van leeftijd bij beschikbare premieregelingen volgens de minister alleen toegestaan als één van de uitzonderingen van artikel 8 WGB l van toepassing is.
Weliswaar is de beschikbare premie zelf terug te voeren op actuariële berekeningen, hetgeen op grond van artikel 8, derde lid, WGB l is toegestaan. Dit betekent echter niet dat de verdeling van de premie over de werkgever en werknemer hierop valt terug te voeren.
Bij onderscheid op grond van geslacht geldt dat de, tengevolge van actuariële factoren, verschillende beschikbare premies voor mannen en vrouwen geen verschil in de werknemersbijdrage van mannen en vrouwen tot gevolg mogen hebben. De bijdrage van de werkgever aan de beschikbare premie mag wel voor mannen en vrouwen verschillen, mits daarmee wordt beoogd de pensioenen voor mannen en vrouwen gelijk te trekken of meer met elkaar in overeenstemming te brengen (zie onder meer Kamerstukken II, 1996/97, 22 695, nr. 12, p. 7 en Kamerstukken II 1999/2000, 26 711,
nr. 11, p. 20).
Nu noch in de WGB l, noch in de parlementaire geschiedenis, aanknopingspunten zijn te vinden waaruit blijkt dat de wetgever de naar leeftijd gedifferentieerde werknemersbijdrage heeft willen brengen onder de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGB l, wordt dit artikel overeenkomstig het bepaalde bij onderscheid op grond van geslacht geïnterpreteerd. Dit betekent dat het slechts is toegestaan dat de beschikbare premie zelf naar leeftijd wordt gedifferentieerd. Met een - door de werkgever bepaalde - naar leeftijd gedifferentieerde werknemersbijdrage, in dit geval vastgesteld op een percentage van de beschikbare premie, wordt echter onderscheid op grond van leeftijd in de zin van artikel 3, aanhef, onderdeel e, WGB l gemaakt, aangezien dit ongelijke beloning op grond van leeftijd tot gevolg heeft. Met name voor oudere werknemers met een laag inkomen zal deze werknemersbijdrage grote gevolgen hebben, omdat zij - in vergelijking tot jongere werknemers - een onevenredig groot gedeelte van hun inkomen zullen moeten aanwenden voor de bijdrage aan hun pensioenvoorziening.

4.5 Ingevolge het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, WGB l kan het maken van onderscheid op grond van leeftijd onder omstandigheden zijn gerechtvaardigd. In dat geval dienen feiten te worden aangedragen ter rechtvaardiging hiervan. Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk.

Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan levert het onderscheid geen strijd op met de WGB l.

4.6 Verzoekster heeft aangegeven dat het doel van de eigen bijdrage van de werknemers is het op een aanvaardbaar niveau houden van de kosten van de pensioenvoorziening. Beheersing van de (personeels)kosten voldoet aan de werkelijke behoefte van het bedrijf. Het op een aanvaardbaar niveau houden van de kosten van de pensioenvoorziening heeft bovendien geen discriminerend oogmerk. Geoordeeld wordt dan ook dat het doel legitiem is.

4.7 Vervolgens ligt de vraag voor of het vaststellen van een eigen bijdrage als percentage van de beschikbare premie een passend middel is om de kosten van een pensioenvoorziening in de hand te houden. Wanneer een werkgever een goede pensioenvoorziening wil bieden aan zijn werknemers, maar niet de volledige premie wil betalen, of daar financieel niet toe in staat is, kan het vragen van een eigen bijdrage van de werknemer, als percentage van de beschikbare premie, een geschikt middel zijn om de kosten voor de werkgever te beperken. Op grond hiervan oordeelt de Commissie dat het middel passend is.

4.8 Ter beantwoording van de vraag of een eigen bijdrage als percentage van de beschikbare premie noodzakelijk is, strekt de volgende overweging.
Het eerste vereiste waaraan moet worden voldaan om tot het oordeel te kunnen komen dat het middel noodzakelijk is, is dat het doel niet kan worden bereikt met een ander middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is.

4.9 Het doel dat verzoekster beoogt zou ook kunnen worden bereikt met een middel waarbij geen onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt, zoals het vaststellen van een eigen bijdrage van de werknemers op een bepaald percentage van de pensioengrondslag. Of dit middel leidt tot versobering van de pensioenvoorziening, zoals verzoekster stelt, zal onder meer afhangen van de pensioenvoorziening die een werkgever zijn werknemers wenst te bieden. Het vaststellen van een eigen bijdrage op een bepaald percentage van de pensioengrondslag hoeft derhalve niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een versobering van de pensioenvoorziening.
Nu het doel ook kan worden bereikt met een middel waarbij geen onderscheid op grond van leeftijd wordt gemaakt is het middel niet noodzakelijk.
Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is. De regeling is daarom in strijd met de WGB l.

Nu het beschikbaar stellen van een premie die is gebaseerd op de OP-staffel uit het Staffelbesluit geen, maar het vaststellen van de eigen bijdrage van werknemers op een bepaald percentage van die beschikbare premie wel verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft, is model 1 in strijd met de WGB l.

Model 2. Het beschikbaar stellen van een bepaald percentage van de OP-staffel uit het Staffelbesluit als premie, waarbij daarnaast de mogelijkheid wordt geboden om op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aan te vullen, maximaal tot 100% van de staffel.
4.10 In dit geval stelt de werkgever een bepaald percentage van de beschikbare premie beschikbaar en voor het overige mag de werknemer op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aanvullen.

4.11 Ten aanzien van het eerste gedeelte van dit model oordeelt de Commissie dat de werkgever op grond van hetgeen is overwogen in 4.3, een premie beschikbaar mag stellen die per leeftijdscohort oploopt. Het staat de werkgever daarbij vrij om niet de volledige premie, maar bijvoorbeeld 50% van de premie volgens de staffel beschikbaar te stellen.

4.12 Ter beantwoo rding van de vraag of de mogelijkheid voor de werknemer om op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aan te vullen, tot maximaal 100% van de staffel, onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft, strekken de volgende overwegingen.

Verzoeker heeft verklaard dat de mogelijkheid om de pensioenpremie aan te vullen slechts openstaat voor werknemers. Indien een vrijwillige pensioenvoorziening door een werkgever aan werknemers wordt aangeboden en deze voorziening niet onder gelijke voorwaarden openstaat voor anderen dan werknemers, is deze voorziening, als zijnde een voordeel dat voortvloeit uit de dienstbetrekking, te beschouwen als een arbeidsvoorwaarde. De aanvullende pensioenvoorziening is derhalve een arbeidsvoorwaarde. De WGB l verbiedt ieder onderscheid op grond van leeftijd bij aanvullende pensioenen, tenzij de uitzonderingen van artikel 8 WGB l van toepassing zijn. Zowel ten aanzien van de verplichte eigen bijdrage van de werknemer (zie model 1), als ten aanzien van de vrijwillige bijdrage van een werknemer om het pensioen aan te vullen (model 2), geldt dat er geen onderscheid in de zin van artikel 3, aanhef, onderdeel e, WGB l gemaakt mag worden. Overwogen is reeds dat de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGB l slechts van toepassing is op de door de werkgever ter beschikking gestelde premie en niet op de bijdrage van de werknemer aan die premie (4.4). Met de mogelijkheid die de werkgever aan de werknemer biedt om op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aan te vullen, tot maximaal 100% van de staffel, maakt de werkgever derhalve onderscheid op grond van leeftijd.

4.13 Overeenkomstig de overwegingen van de Commissie in 4.5 tot en met 4.9 oordeelt de Commissie dat het gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is en de regeling derhalve in strijd is met de WGB l.
Nu het beschikbaar stellen van een bepaald percentage van de OP-staffel uit het Staffelbesluit als premie geen, maar de vrijwillige aanvullende regeling wel verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft, is model 2 in strijd met de WGB l.

Model 3. Het beschikbaar stellen van een gelijk percentage (te weten het laagste percentage van de staffel) van de pensioengrondslag als premie beschikbaar, waarbij aan de werknemers de mogelijkheid wordt geboden het pensioen vrijwillig aan te vullen, waarbij de bijdrage van de werknemer is gebaseerd op de beschikbare premie uit de staffel.
4.14 Ten aanzien van het eerste gedeelte van dit model, te weten de pensioentoezegging, waarbij de werkgever een gelijk percentage (te weten het laagste percentage van de staffel) van de pensioengrondslag als premie beschikbaar stelt, gelden de volgende overwegingen.
Deze regeling leidt er toe dat er voor iedereen een gelijke beschikbare premie is.
Aangezien deze premie voor alle leeftijdscategorieën gelijk is, leidt deze regeling niet tot onderscheid op grond van leeftijd.
Tijdens de parlementaire geschiedenis is deze regeling aan de orde geweest. Op dit punt is eveneens aan de orde geweest dat een beschikbare premie die voor iedereen, ongeacht leeftijd, gelijk is, is toegestaan (Kamerstukken I, 2003/04, 28 170, C, p. 3).

4.15 Het aanbod van de mogelijkheid om het pensioen vrijwillig aan te vullen, waarbij de bijdrage van de werknemer is gebaseerd op de percentages van de staffel uit het Staffelbesluit, heeft op grond van hetgeen is overwogen in 4.12 en 4.13, onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg. De percentages van de staffel lopen namelijk op naarmate de werknemer ouder wordt, hetgeen betekent dat een oudere werknemer meer moet bijdragen aan de pensioenvoorziening dan de jongere werknemer.

4.16 Overeenkomstig de overwegingen van de Commissie in 4.5 tot en met 4.9 oordeelt de Commissie dat het gemaakte onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is en de regeling derhalve in strijd is met de WGB l.
Nu het beschikbaar stellen van een gelijk percentage van de pensioengrondslag geen, maar de vrijwillige aanvulling wel verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft, is model 3 in strijd met de WGB l.

5 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat met ingang van
1 mei 2004:

 het vaststellen van de eigen bijdrage van een werknemer bij een beschikbare premieregeling op een bepaald percentage van de beschikbare premie
(model 1)verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft;

 een pensioentoezegging waarbij de werkgever een bepaald percentage van de OP-staffel uit het Staffelbesluit als premie beschikbaar stelt, en daarnaast de werknemer de mogelijkheid biedt om op vrijwillige basis op eigen kosten de pensioenpremie aan te vullen, maximaal tot 100% van de staffel (model 2), verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft;

 een pensioentoezegging, waarbij de werkgever een gelijk percentage (te weten het laagste percentage van de staffel) van de pensioengrondslag als premie beschikbaar stelt en daarbij aan werknemers de mogelijkheid biedt om het pensioen aan te vullen, waarbij de bijdrage van de werknemer is gebaseerd op de percentages van de staffel uit het Staffelbesluit (model 3), verboden onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft.

Aldus gegeven te Utrecht op 17 mei 2004 door mr. E.N. Brons, voorzitter,
mr. M.M. van der Burg en mr. B. Romkes, leden van de Commissie Gelijke Behandeling in tegenwoordigheid van mr. A.H. Pranger, secretaris.

mr. E.N. Brons mr. A.H. Pranger

Grond:
Leeftijd
Trefwoord:
Arbeidsvoorwaarden
Beloning
Objectieve rechtvaardiging
Pensioenen
Wetsartikel:
artikel 1 lid 1 WGBL
artikel 7 lid 1 WGBL
geprint van: http://www.cgb.nl/node/12499/volledig