Verweerster maakt onderscheid op grond van leeftijd bij bedrijfsovername door verzoeker niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris. Verweerster maakt geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door verzoeker uit te sluite

Terug naar de samenvatting »

Volledig oordeel

Oordeel
2006-157

Dossiernummer: 2005-0580

op het verzoekschrift van 15 november 2005 van
. . . .
wonende te Tilburg, verzoeker

tegen

. . . .
gevestigd en kantoorhoudend te Rotterdam, verweerster
vertegenwoordigd door . . . . , jurist/beleidsmedewerker P&O

1 Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd door hem, in tegenstelling tot oudere collega"s, niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris. Verzoeker heeft de Commissie tevens verzocht te beoordelen of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte door hem uit te sluiten voor de functie van en de opleiding tot kraanmachinist.

1.2 Bij brief van 16 januari 2006 heeft verzoeker de Commissie desgevraagd nadere inlichtingen gegeven.

1.3 Verweerster heeft de stellingen van verzoeker gemotiveerd betwist bij brief, ontvangen bij de Commissie op 3 februari 2006.

1.4 De gronden, waarop het verzoek en verweer rusten komen, voor zover relevant voor de beoordeling van het verzoek, in de rubriek "beoordeling" aan de orde.

1.5 Op 18 april 2006 hebben partijen hun standpunten ter zitting mondeling toegelicht.

1.6 Het onderzoek ter zitting is aangehouden in afwachting van nadere informatie van verweerster. Verweerster heeft deze op respectievelijk 19 april 2006, 20 april 2006 en
11 mei 2006 toegezonden. De reactie van verzoeker hierop is op 2 juni 2006 ontvangen. De Commissie heeft vervolgens nadere vragen gesteld aan zowel verzoeker als verweerster. Verzoeker en verweerster hebben deze vragen op respectievelijk
12 juni 2006 en 20 juni 2006 beantwoord, waarna het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1 Verzoeker was vanaf 30 september 1974 in dienst bij het . . . . Dit is op 1 januari 1996 overgenomen door . . . . . . . . . is vervolgens in 2004 overgenomen door verweerster. Verzoeker had de functie 11 ARC/ CO/ SK, die reat-stackerchauffeur, controleur van containers met handcomputer, terminaltrekkerchauffeur, chauffeur van een kleine vorkheftruck en transtainermachinist omvatte.

2.2 Verweerster werkt met kernfuncties, waarvoor de . . . . - werknemers zich na de overname dienden om te scholen en te kwalificeren. Werknemers uit de geboortejaren 1944, 1945 en 1946 zijn met het oog op hun aanstaande vervroegde uittreding op 60-jarige leeftijd vrijgesteld van de verplichting zich te kwalificeren voor de kernfunctie straddlecarrierchauffeur en/of brugkraanmachinist.

2.3 Werknemers uit de geboortejaren 1947, 1948 en 1949 dienden zich te kwalificeren voor een kernfunctie straddlecarrierchauffeur en/of brugkraanmachinist. Werknemers die zich niet kwalificeerden voor een kernfunctie konden zich kwalificeren voor een twee-/drieledige operationele functie.
Degenen die zich ook hiervoor niet kwalificeerden werden met behoud van hun arbeidsovereenkomst met verweerster overgeplaatst naar een specifiek onderdeel van verweerster, Centrum Nieuw Werk, ontvingen een vrijwillig-vertrekpremie of werden begeleid naar ander passend werk door detachering tot het bereiken van de vervroegde uittredingsdatum. Het ging hier om 24 werknemers.

2.4 Werknemers uit de geboortejaren 1950 en later dienden zich ook te kwalificeren voor een kernfunctie straddlecarrierchauffeur en/of brugkraanmachinist. Werknemers die zich niet kwalificeerden werden met behoud van hun arbeidsovereenkomst met verweerster overgeplaatst naar Centrum Nieuw Werk, ontvingen een vrijwillig-vertrekpremie of werden begeleid naar ander passend werk door detachering tot het bereiken van de vervroegde uittredingsdatum, die, gelet op tussen werknemers-en werkgeversorganisaties overeengekomen pensioenopslagen, ook voor deze groep werknemers 60 jaar kan zijn.

2.5 Verzoeker, geboren op 23 januari 1950, moest zich kwalificeren voor de kernfunctie straddlecarrierchauffeur. Hij heeft verweerster verzocht zich te mogen kwalificeren voor de kernfunctie brugkraanmachinist, maar dit verzoek is door verweerster afgewezen. Verzoeker heeft zich " evenals negen anderen - niet gekwalificeerd voor straddlecarrierchauffeur.

2.6 Verweerster heeft deze groep, waaronder verzoeker, vervolgens aangeboden een assessment te doen voor de opleiding van brugkraanmachinist. Niemand uit deze groep is geschikt bevonden voor de opleiding tot brugkraanmachinist. Op verzoekers assessmentformulier staat vermeld dat het niet raadzaam is verzoeker in opleiding te nemen aangezien zijn tempo laag lag en dat waarschijnlijk zo zou blijven. Ook de behendigheid van verzoeker was een probleem. Verzoekers kleurenblindheid wordt op dit formulier vermeld.

2.7 Verzoeker heeft van verweerster uiteindelijk een contract gekregen met daarin de voorwaarde dat hij zich voor een drieledige functie moet kwalificeren, alsook de clausule dat hij bij de eerstvolgende reorganisatie overcompleet wordt verklaard.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt voor de vraag of verweerster onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt jegens verzoeker bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding door hem niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris.

3.2 Ter beoordeling ligt tevens voor de vraag of verweerster jegens verzoeker onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte heeft gemaakt bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding door hem uit te sluiten voor de functie van en de opleiding tot brugkraanmachinist.

Leeftijd

3.3 Ingevolge artikel 3, aanhef en onderdeel f, van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL), in samenhang met artikel 1 WGBL, is onderscheid op grond van leeftijd ondermeer verboden bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding.

3.4 Met betrekking tot de vraag of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd jegens verzoeker door hem niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris heeft verzoeker aangevoerd dat hij zich moest kwalificeren voor een kernfunctie terwijl werknemers geboren in 1944, 1945 en 1946 hiervan zijn vrijgesteld. Ook mocht hij zich in eerste instantie niet kwalificeren voor een twee-/drieledige functie als hij zich niet kwalificeerde voor de kernfunctie. Werknemers geboren in 1947, 1948 en 1949 mochten dit wel. De directie van verweerster zou onder druk van de FNV hebben besloten de tien werknemers geboren in 1950 en later, die zich niet hadden gekwalificeerd voor een kernfunctie, alsnog een kraanassessment te laten uitvoeren. Al deze personen zijn ongeschikt bevonden voor de kernfunctie van brugkraanmachinist. De directie is volgens verzoeker nooit werkelijk van plan geweest deze mensen de opleiding van brugkraanmachinist te laten volgen.

3.5 Op dit punt geldt dat het verschil in behandeling rechtstreeks is gebaseerd op de geboortedatum van de werknemers. Derhalve maakt verweerster door het hanteren van verschillende voorwaarden voor verschillende leeftijdscategorieën direct onderscheid op grond van leeftijd.

3.6 Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, WGBL kan het maken van onderscheid op grond van leeftijd onder omstandigheden zijn gerechtvaardigd. In dat geval dient de partij die onderscheid heeft gemaakt feiten aan te dragen ter rechtvaardiging hiervan. Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat voor het bereiken van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk.
Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving.

3.7 Ter rechtvaardiging van het gemaakte onderscheid " geen vrijstelling van medewerkers geboren in 1950 of later voor de opleiding tot kernfunctionaris - heeft verweerster ter zitting aangevoerd dat het doel van dit onderscheid hierin is gelegen dat men bij het zoeken van aansluiting bij verweersters kernfunctiebeleid voor overgenomen werknemers, rekening wil houden met VUT-rechten. Voor jongere werknemers is het zinvol te worden opgeleid tot kernfunctionaris. Voor VUT-gerechtigde werknemers is dit minder zinvol, nu zij over het algemeen gebruik maken van deze VUT-rechten en zij hun functie bij verweerster nog maar gedurende een korte periode zullen uitoefenen.

3.8 Dit doel sluit aan bij een werkelijke behoefte van verweerster en is vrij van elke vorm van discriminatie. Het is voor verweerster van belang dat de overgenomen werknemers zo nodig omgeschoold worden en aan het werk kunnen in een kernfunctie. Van verweerster kan niet worden gevergd dat zij VUT-gerechtigde werknemers laat omscholen tot kernfunctionaris, terwijl zij naar verwachting nog maar gedurende een zeer korte periode werkzaam zullen zijn in een kernfunctie voordat zij (vervroegd) uittreden. Het doel is derhalve legitiem. Overigens dient er in dit verband op te worden gewezen, dat verzoeker niet tot bedoelde groep van VUT-gerechtigde oudere werknemers behoort.

3.9 Als middel hanteert verweerster verschillende regelingen voor personen met verschillende geboortejaren. Voor de vrijstelling van kwalificatie voor de kernfunctie hanteert verweerster een "knip" na geboortedatum 31 december 1949, nu de groep die voor of in 1949 is geboren nog gebruik kan maken van de fiscaal gefaciliteerde regeling voor vervroegd uittreden, namelijk met 60 jaar. Werknemers uit het geboortejaar 1950 en later kunnen geen gebruik meer maken van deze regeling en zijn op 65-jarige leeftijd pensioengerechtigd. Dit vloeit voort uit de wijziging per 1 januari 2006 van de Wet op de Loonbelasting ter zake van VUT en prepensioen en de introductie van de Levensloopregeling, als opgenomen in de Wet van 24 februari 2005, Stb. 2005, 115.
De fiscale wetgeving laat onder nadere voorwaarden toe het 'oude' fiscale regime te handhaven voor werknemers die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren. Alleen voor deze werknemers blijft de fiscaal gefaciliteerde VUT- en prepensioenregeling in stand.

3.10 Dit middel is niet geschikt om het nagestreefde doel te bereiken. Voor het bepalen van de leeftijdsgrens heeft verweerster aansluiting gezocht bij de fiscale wetgeving, die de fiscaal gefaciliteerde VUT- en prepensioenregeling in stand houdt voor werknemers die voor 1 januari 2005 55 jaar of ouder waren. Gebleken is echter dat bij verweerster werknemers geboren in of na 1950, zoals verzoeker, weliswaar op 65-jarige leeftijd pensioengerechtigd zijn en geen VUT-rechten hebben, maar dat zij desondanks tussen hun 60e en 65e levensjaar uit dienst kunnen treden. Hoewel het moment van uittreden in overleg tussen werkgever en werknemer wordt vastgesteld, kan uit alle beschikbare gegevens worden afgeleid dat bij verweerster zowel aan werkgevers- als werknemerszijde het streven erop is gericht dat de werknemers niet tot de leeftijd van 65 jaar blijven werken, hetgeen begrijpelijk is tegen de achtergrond van de omstandigheid dat havenarbeiders jong op de arbeidsmarkt komen, het werk zwaar is en zij " zo is algemeen bekend - zo vroeg mogelijk plegen te stoppen met werken. Verweerster zal dus nu ook moet investeren in opleidingen van de oudere werknemers uit deze groep, waaronder verzoeker, waarvan slechts gedurende korte tijd de vruchten kunnen worden geplukt. Het had dan ook in de rede gelegen als verweerster een alternatief criterium zou hebben gehanteerd, gerelateerd aan het aantal jaren waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat een werknemer nog werkzaam zal zijn bij verweerster. Weliswaar zou ook dan sprake zijn geweest van onderscheid naar leeftijd, maar niet uitgesloten is dat het alsdan gekozen middel de toets aan de objectieve rechtvaardiging zou hebben kunnen doorstaan.

3.11 Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat het door verweerster gemaakte onderscheid op grond van leeftijd niet objectief is gerechtvaardigd. Verweerster heeft derhalve verboden onderscheid gemaakt op grond van leeftijd jegens verzoeker door hem niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris.

Handicap/chronische ziekte

3.12 Met betrekking tot de vraag of verweerster jegens verzoeker onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap/chronische ziekte bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding door hem uit te sluiten voor de functie van en de opleiding tot kraanmachinist, gelden de volgende overwegingen.

3.13 Ingevolge de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) is het maken van onderscheid tussen personen op grond van een werkelijke of vermeende handicap of chronische ziekte bij de arbeid verboden, onder meer bij de arbeidsvoorwaarden en het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding (art. 4 aanhef en onder e en f WGBH/CZ).

3.14 De Commissie dient allereerst vast te stellen of kleurenblindheid valt onder het begrip handicap of chronische ziekte. De begrippen handicap of chronische ziekte zijn niet in de wet gedefinieerd. De regering heeft in de memorie van toelichting vermeld dat zij dat niet nodig en niet wenselijk acht. Volgens de regering gaat het niet om nauw te omschrijven eigenschappen van een persoon maar om situationeel bepaalde beperkingen. De begrippen handicap en chronische ziekte zijn volgens de regering in het algemeen spraakgebruik voldoende duidelijk. Handicaps en chronische ziekten kunnen fysiek, verstandelijk of psychisch van aard zijn. Een handicap is in beginsel onomkeerbaar. Een chronische ziekte is dat soms niet, maar is in ieder geval langdurig van aard (Kamerstukken II 2001/02, 28 169, nr. 3, p. 9 en p. 24).
Ook richtlijn 2000/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep geeft geen definities van het begrip handicap.

3.15 De Commissie stelt op grond van bovenstaande vast dat kleurenblindheid een handicap in de zin van de WGBH/CZ is. Kleurenblindheid brengt immers bepaalde beperkingen met zich en is onomkeerbaar.

3.16 Overeenkomstig de regels van de bewijslastverdeling, zoals neergelegd in artikel 10 WGBH/CZ, is het bij een beroep op de WGBH/CZ aan de verzoekende partij om feiten aan te voeren die onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte kunnen doen vermoeden, waarna het aan de verwerende partij is om te bewijzen dat niet in strijd met deze wet is gehandeld.

3.17 Met betrekking tot de vraag of verzoeker zulke feiten heeft aangevoerd geldt het volgende.
Verzoeker heeft aangevoerd dat hij naar aanleiding van het assessment voor brugkraanmachinist te horen kreeg dat hij niet kon worden opgeleid omdat hij kleurenblind is. Toen verzoeker probeerde uit te leggen wat zijn kleurenblindheid inhoudt, kwam verweerster met een ander argument, namelijk dat verzoeker na anderhalve dag de slinger nog steeds niet onder controle had en dat verzoeker zenuwachtig was. Dit is volgens verzoeker echter heel gewoon na anderhalve dag en verzoeker was ervan overtuigd dat hij dit onder de knie zou hebben gekregen, indien hij, zoals andere werknemers, een opleiding van twaalf tot zestien weken zou hebben gehad.
Voorts heeft verzoeker aangevoerd dat verweerster weigerde hem een kopie van de uitslag van het assessment te geven, omdat deze uitslag door anderen verkeerd zou kunnen worden gelezen en dan een eigen leven zou gaan leiden.

3.18 Verweerster ontkent dat verzoeker niet kon worden opgeleid in verband met zijn kleurenblindheid en heeft ter zitting aangevoerd dat zij niet inziet hoe verzoekers kleurenblindheid in de weg zou kunnen staan aan de uitoefening van de functie van brugkraanmachinist. De beslissing om verzoeker niet op te leiden hield verband met zijn trage tempo en zijn geringe behendigheid.

3.19 De Commissie acht het van belang dat tijdens de zitting ook verzoeker heeft gezegd dat hij niet inziet hoe zijn kleurenblindheid van invloed zou kunnen zijn op de uitoefening van de functie van kraanmachinist. Nu verzoeker en verweerster het erover eens zijn dat kleurenblindheid niet van belang is voor de uitoefening van de functie van kraanmachinist, ziet de Commissie geen reden daar anders over te oordelen.

3.20 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd feiten aan te voeren die onderscheid kunnen doen vermoeden op grond van handicap of chronische ziekte. De Commissie merkt op dat hiermee niets is gezegd over de vraag of verzoeker en de anderen die een assessment moesten ondergaan voor de functie van kraanmachinist een eerlijke kans hebben gehad om voor de functie in aanmerking te komen. De bevoegdheid van de Commissie strekt niet zover, dat zij deze vraag kan beantwoorden.

3.21 Nu verzoeker geen feiten heeft aangevoerd die onderscheid wegens handicap kunnen doen vermoeden, moet worden geoordeeld dat verweerster geen onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding jegens verzoeker door hem uit te sluiten voor de opleiding tot en functie van brugkraanmachinist.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . . . . . . :
- verboden onderscheid maakt op grond van leeftijd bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding door hem niet vrij te stellen voor de opleiding tot kernfunctionaris;
- geen onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte bij het laten volgen van onderwijs, scholing en vorming tijdens of voorafgaand aan een arbeidsverhouding door hem uit te sluiten voor de functie en de opleiding tot brugkraanmachinist.

Aldus gegeven te Utrecht op 24 juli 2006 door mr. E.N. Brons, fungerend voorzitter, mr. M. van den Brink en mr. P.H. Hugenholtz, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. F. Wegman, secretaris.

mr. E.N. Brons
namens deze,
prof. mr. A.C. Hendriks
Wnd. ondervoorzitter

mr. F. Wegman
namens deze,
mr. S.J.A.M. van Herpen
secretaris

Grond:
Handicap of chronische ziekte
Leeftijd
Trefwoord:
Objectieve rechtvaardiging
Leeftijd
Handicap of chronische ziekte
Handicap
Beroepsopleiding/beroepsonderwijs
Wetsartikel:
artikel 2 lid 6 AWGB
artikel 1 WGBH/CZ
geprint van: http://www.cgb.nl/node/12954/volledig