Verboden onderscheid op grond van leeftijd bij de beëindiging van een arbeidsverhouding van een vrijwilliger in zijn 74ste levensjaar.

Terug naar de samenvatting »

Volledig oordeel

Oordeel
2007-52

Dossiernummer: 2006-0289

op het verzoekschrift van 7 mei 2006 van
. . . .
wonende te Den Haag, verzoeker

tegen

. . . .
gevestigd en kantoorhoudend te Den Haag, verweerster
vertegenwoordigd door . . . . en
. . . .

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of verweerster jegens hem onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door zijn werkzaamheden als senior-expert in zijn 74ste levensjaar te beëindigen.

1.2 Bij brief van 3 september 2006 heeft verzoeker de Commissie desgevraagd aanvullende informatie toegestuurd.

1.3 De Commissie heeft verweerster in de gelegenheid gesteld op het verzoek te reageren. Op 11 oktober 2006 is het verweerschrift bij de Commissie ontvangen. Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 15 november 2006 gereageerd op het verweerschrift.

1.4 Op 27 november 2006 heeft de Commissie zitting gehouden waar partijen onder meer hun standpunten mondeling hebben toegelicht. Tevens was van de kant van verweerster als informant aanwezig . . . . .

2 Feiten

2.1 Verzoeker is geboren op 27 januari 1931. Hij is aquatisch bioloog.

2.2 Verweerster is een in 1978, op initiatief van de werkgeversvereniging VNO-NCW en de overheid, opgerichte hulporganisatie, met als doel armoedebestrijding en duurzame ontwikkeling van sociale economie op vier continenten. Daarbij richt verweerster zich op versterking van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden en daarbinnen vooral op verbetering van de bedrijfsvoering van kleinere en middelgrote ondernemingen. Verweerster wil dit doel bereiken door het aanbieden van deskundige steun aan lokale ondernemingen door zogenoemde senior-experts. Sinds 1997 is de organisatie een zelfstandige stichting. Verweerster wordt grotendeels gefinancierd door de Nederlandse overheid. Met de ministeries voor Ontwikkelingssamenwerking en van Economische Zaken wordt regelmatig overleg gepleegd over organisatie, werkwijze en uitvoering.
In 2006 zal verweerster rond de 2200 uitzendingen van senior-experts realiseren naar aanvragers in ongeveer 80 landen. Bij verweerster staan bijna 4000 senior-experts ingeschreven.

2.3 Senior-experts, hierna ook: experts, schrijven zich als vrijwilliger in bij verweerster en ook de interne organisatie bestaat voor het merendeel uit vrijwilligers. Verweerster heeft een kleine vaste (betaalde) staf.

2.4 Verweerster heeft voor elk land een landencoördinator, die met behulp van een lokale vertegenwoordiger de vraag inventariseert. Vervolgens wordt de aanvraag centraal bij verweerster beoordeeld en na goedkeuring wordt een passende expert geselecteerd. De (vrijwillige) sectorcoördinator zoekt vervolgens voor de goedgekeurde aanvraag een passende expert.
Een expert is niet verplicht de aangeboden missie te aanvaarden. Indien de expert de missie accepteert, wordt hij/zij door zowel de sector- als de landencoördinator voorbereid op het project.

Per uitzending wordt een overeenkomst tussen verweerster en de expert getekend, welke overeenkomst door verweerster "Gentleman"s agreement" (hierna: het Gentleman"s agreement) wordt genoemd. Hierin wordt onder meer het volgende overeengekomen:
- Na terugkeer wordt door de expert een eindrapportage bij de aanvrager ingediend, welk rapport vervolgens tijdens de debriefing met verweerster wordt besproken. In dit gesprek worden ook eventuele vervolgmissies besproken.
- Indien een project langer dan een maand duurt, wordt de expert gevraagd maandelijks kort te rapporteren aan verweerster.
- Indien de expert verwacht dat in de pers aan een missie en/of expert aandacht zal worden besteed, dan wordt van de expert verwacht dat hij/zij dat vooraf meldt aan verweerster.
- Verweerster vergoedt de reis- en verblijfskosten van de expert en draagt tevens zorg voor de verzekering van de expert voor wat betreft ongevallen, ziekte, bagage en wettelijke aansprakelijkheid. Daarnaast ontvangt de expert ter bestrijding van de onkosten een dagvergoeding en een uitrustingstoelage.
- De expert handelt bij de uitvoering van het project zelfstandig, zonder ruggespraak met verweerster. Problemen in verband met de uitvoering van het project dienen in eerste instantie door de expert met de aanvrager te worden besproken. Hij/zij kan verweerster juridisch niet binden, tenzij daartoe gemachtigd. Voorts conformeert de expert zich aan de doelstellingen van verweerster, zoals vastgelegd in het Intern Statuut en de Gedragscode.

Iedere expert ontvangt naast het Gentleman"s agreement een exemplaar van de Gedragscode van verweerster, waarin de spelregels voor gedragingen van verweerster en van de experts zijn vastgelegd.

2.5 Verweerster hanteert een maximum leeftijdsgrens van 70 jaar voor experts om in aanmerking te komen voor uitzending. Deze leeftijdsgrens is eenzijdig door verweerster vastgesteld. Een vertegenwoordiger van de experts is bij het overleg geweest waar de leeftijdsgrens is bepaald. De leeftijdsgrens is bekend bij de experts en staat sinds 2000 op de website van verweerster. Verweerster houdt hierbij de mogelijkheid open om in uitzonderingssituaties toch experts uit te nodigen om na hun 70ste nog missies te doen, bijvoorbeeld indien sprake is van een schaars specialisme of van een vervolgmissie.
Iedere expert krijgt op het moment dat hij 70 jaar is geworden een brief, waarin hij wordt bedankt voor zijn of haar inzet en waarin staat dat de inschrijving wordt beëindigd. Verzoeker heeft een dergelijke brief nooit gekregen.

2.6 Verzoeker staat sinds 1988 ingeschreven bij verweerster als senior-expert, ondermeer op het gebied van de teelt van siervissen. Dit is een schaars specialisme.
Verzoeker is in totaal 24 keer uitgezonden, waarvan vijf keer nadat hij de leeftijdsgrens van 70 jaar had bereikt. Vier van deze laatste vijf missies waren vervolgmissies bij een project in Indonesië.

2.7 Verzoeker is in september 2005 uitgeschreven uit het register van de door verweerster genoemde actieve experts zonder opgaaf van reden. Verzoeker heeft geklaagd over deze beslissing bij de landencoördinator voor Indonesië, de sectorcoördinator Fisheries, de directie en bestuursvoorzitter van verweerster, de voorzitter van VNO-NCW en tegen de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking.

2.8 De landencoördinator en de sectorcoördinator van verweerster hebben bij brief van 19 november 2005 op de klacht van verzoeker gereageerd.
Bij brief van 29 november 2005 heeft de directeur van verweerster verzoeker meegedeeld dat er niet voor niets - en mede op aanraden van de vrijwilligers zelf - is gekozen voor een maximum leeftijdsgrens. Verzoeker heeft deze leeftijdsgrens in 2002 reeds bereikt, maar is daarna nog regelmatig voor projecten ingezet. Verweerster houdt zich het recht voor de leeftijdsgrens flexibel te blijven hanteren. In het geval van verzoeker is de leeftijdsgrens derhalve ruimschoots overschreden en om verdere precedentwerking te voorkomen, kan de directeur niet anders dan achter het genomen besluit staan.
Bij brief van 2 januari 2006 heeft de voorzitter van verweerster verzoeker bericht dat de bestaande praktijk van een leeftijdsgrens van 70 jaar voorlopig zal worden voortgezet. Daartoe heeft de voorzitter aangevoerd dat de leeftijdsgrens al geruime tijd wordt gehanteerd en door de experts en de klanten in zijn algemeenheid als een gegeven wordt geaccepteerd. Een organisatie als die van verweerster heeft een leeftijdsgrens nodig, aldus de voorzitter in de brief, en de huidige limiet is in zijn algemeenheid hanteerbaar en verdedigbaar. Hierbij wordt door verweerster overigens de mogelijkheid opengehouden om in uitzonderingsgevallen toch de expert uit te nodigen om nog enkele missies te doen, bijvoorbeeld in geval van zeer schaarse expertise. Ook in die gevallen zal verweerster zich, met het oog op de toekomst, echter moeten concentreren op het aantrekken van nieuwe experts. Met de instroom van 600-700 experts per jaar heeft verweerster de beschikking over een meestal voldoende bestand van experts. Bovendien geeft bovengenoemde spelregel voldoende incidentele flexibiliteit om de klanten adequaat te kunnen bedienen, aldus de voorzitter.
Bij brief van 4 maart 2006 heeft de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking naar aanleiding van de klacht aan verzoeker meegedeeld dat zij in het kader van de subsidierelatie op beleidsniveau gesprekken voert met verweerster en zich in dit overleg heeft geconformeerd aan het leeftijdsbeleid van verweerster. De reden hiervoor is dat verweerster een uitvoeringsverantwoordelijkheid draagt voor de uit te zenden experts. Omdat er risico"s zijn verbonden aan het uitzenden van experts vindt de minister het gerechtvaardigd indien verweerster een afweging maakt en risico"s beperkt. Zij ondersteunt evenwel het beleid van verweerster om uitzonderingen toe te passen, omdat het stellen van leeftijdsgrenzen en het voeren van een leeftijdsbeleid altijd generiek is. Verzoeker is op basis van deze uitzonderingsregel uitgezonden. De minister is van mening dat verweerster op een juiste wijze met haar verantwoordelijkheid omgaat.

2.9 Op 13 april 2006 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de directeur van verweerster en verzoeker, waarbij partijen niet tot een oplossing zijn gekomen.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding door zijn werkzaamheden als senior expert in zijn 74ste levensjaar te beëindigen.

3.2 In artikel 3, aanhef en onderdeel c, Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL) is, in samenhang met artikel 1 WGBL, onder meer bepaald dat onderscheid op grond van leeftijd is verboden bij de beëindiging van een arbeidsverhouding.

Bevoegdheid

3.3 Verweerster betwist de bevoegdheid van de Commissie om het verzoek te behandelen en een oordeel te geven. Verweerster heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is van een arbeidsverhouding tussen verzoeker en verweerster. Verweerster beschouwt zichzelf als een soort uitzendbureau voor vrijwilligers. Zij brengt het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden en de bij haar ingeschreven (vrijwillige) senior experts bij elkaar en heeft hierin een coördinerende rol. De aanmelding en inschrijving als senior-expert geschiedt op vrijwillige basis. Experts zijn niet verplicht een aangeboden missie te aanvaarden. Bovendien ontvangen experts - naast de reis- en verblijfskosten en de dagvergoeding - geen salaris of andere vorm van beloning als directe betaling voor de verrichte diensten. Door het grote aantal ingeschreven experts en de daarbij behorende specialismen is het volgens verweerster onmogelijk om de experts inhoudelijk te sturen. De experts werken onafhankelijk en brengen advies en rapport uit aan de aanvrager. De landencoördinator heeft de regie, in zoverre dat hij ervoor moet zorgen dat de expertise op praktische wijze wordt ingezet. Verweerster is niet aansprakelijk voor fouten die door de experts worden gemaakt.
In het Gentleman"s agreement wordt een en ander bevestigd. De korte rapportage aan verweerster in geval de missie langer duurt dan een maand, betreft de voortgang van de missie en het welzijn van de expert en is derhalve geen inhoudelijke rapportage. Deze rapportages worden door verweerster opgeslagen, met name voor eventuele vervolgmissies. Een rapport is bedoeld voor de aanvrager.
Met betrekking tot de in de Gedragscode opgenomen zin dat PUM een goed werkgever zal zijn, duidelijk is in eisen en eerlijk in de honorering, en veilige en goede werkomstandigheden biedt, heeft verweerster aangevoerd dat deze passage, gelet op de formulering en strekking, uitsluitend van toepassing is op de vaste (betaalde) staf. Verweerster biedt namelijk geen honorarium aan vrijwilligers en is niet in de positie om aan haar vrijwillige experts die in het buitenland op missie zijn veilige en goede werkomstandigheden te bieden.
Bovendien beroept verweerster zich op de beperkte reikwijdte van artikel 3 van de Algemene gelijkebehandelingsrichtlijn (Richtlijn 2000/78/EG), op grond waarvan een vrijwilligersrelatie hier niet onder valt.

3.4 Verzoeker heeft de Commissie in zijn brief van 3 september 2006 laten weten dat er sprake is van een gezagsverhouding tussen verzoeker en verweerster. Bij brief van
15 november 2006 heeft verzoeker evenwel gesteld dat er geen gezagsverhouding bestaat in eigenlijke zin. Ter zitting heeft verzoeker in eerste instantie aangegeven het moeilijk te vinden om de vraag te beantwoorden of er een arbeidsverhouding in eigenlijke zin bestaat tussen verweerster en de experts.
Gezien de verplichtingen die zijn genoemd in het Gentleman"s agreement en de Gedragscode is volgens verzoeker echter wel sprake van een bepaalde gezagsrelatie tussen verweerster en de uitgezonden experts. Van de experts wordt immers een eindrapportage verwacht met betrekking tot de resultaten van de uitgevoerde missie.

Indien de missie langer dan een maand duurt, verlangt verweerster ook een tussentijdse rapportage, waarbij de expert gebonden is aan het door hem ondertekende Gentleman"s agreement. Een expert is vrij bij het opstellen van het rapport en hij krijgt geen inhoudelijke aanwijzingen. Een expert bepaalt zelf wat de inhoud van het werk is. Wel vindt er altijd een gesprek plaats naar aanleiding van het eindrapport. In dit gesprek wordt tevens gesproken over eventuele vervolgmissies. Een rapport moet aan bepaalde minimumvereisten voldoen en als er iets in het rapport ontbreekt, wijst de landencoördinator daar op en wordt het door de expert aangevuld. Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd ook meegedeeld dat er geen gezagsverhouding bestaat tussen verweerster en de experts.

3.5 De Commissie overweegt als volgt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan het begrip arbeidsverhouding in de WGBL dezelfde betekenis wordt toegekend als in de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) (Kamerstukken II 2001/02, 28 170, nr. 3, p. 20). Het is de vaste oordelenlijn van de Commissie dat het begrip arbeidsverhouding in de AWGB, en dus ook in artikel 3 WGBL, een ruimere betekenis heeft dan het begrip arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek (BW). Onder een arbeidsverhouding vallen alle situaties waarin onder gezag van een ander arbeid wordt verricht (vergelijk onder meer: CGB 14 december 2006, oordeel 2006-246 en CGB 7 maart 2003, oordelen 2003-23 tot en met 2003-35). Ook bij vrijwilligerswerk is sprake van een arbeidsverhouding indien onder gezag arbeid wordt verricht (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 6, p. 79 en vergelijk onder meer: CGB 14 december 2006, oordeel 2006-246 en CGB 21 april 2006, oordeel 2006-77).

3.6 In het onderhavige geval is sprake van één bemiddelende organisatie, te weten verweerster, die rechtstreeks contact heeft met de experts en de aanvragers. Ondanks de grote mate van zelfstandigheid van de experts tijdens de uitvoering van een project, heeft verweerster - met name voor en na de uitzending - (beperkte) instructie- en aanwijzingsbevoegdheden ten aanzien van de experts. Dit blijkt onder meer uit de voorbereiding op het project door zowel de sector- als de landencoördinator van verweerster, de (verplichte) eindrapportages en (eventuele) maandelijkse tussenrapportages en de bespreking daarvan, waar tevens over een eventuele vervolgmissie wordt gesproken. Bovendien komen de dagvergoeding en de verzekeringen voor rekening van verweerster. Daarnaast blijkt uit de Gedragscode dat verweerster verantwoordelijkheid draagt voor de experts en hen zo goed mogelijk dient te instrueren en te ondersteunen. Voorts blijkt uit deze Gedragscode dat de landencoördinator toezicht houdt op het handelen van de experts, met name met betrekking tot de integriteit. Indien daaraan behoefte bestaat, krijgt de expert begeleiding van verweerster bij contacten met de pers of bij lezingen over de missie. Ten slotte geldt dat de experts zich conformeren aan het Gentleman"s agreement en de Gedragscode. Indien de "spelregels" uit de Gedragscode worden geschonden, wordt de expert door het management van verweerster daarop aangesproken en indien nodig wordt de relatie met de expert verbroken.

3.7 De stelling van verweerster dat de reikwijdte van artikel 3 van de Algemene gelijkebehandelingsrichtlijn niet zo ver gaat dat een vrijwilligersovereenkomst hiertoe behoort, doet hieraan niet af. Ook al zou dit het geval zijn, dan nog kan een lidstaat een hoger beschermingsniveau in de betreffende wetgeving vastleggen dan in de richtlijn is bepaald, zoals in de WGBL.

3.8 Op grond van het bovenstaande stelt de Commissie vast dat verzoeker en verweerster van mening verschillen over de bedoeling van hun arbeidsrelatie. De Commissie is van oordeel dat - ook al is sprake van een beperkte mate van zeggenschap van verweerster over de experts tijdens de uitvoering van een project - er gezien de strekking en bedoeling van de WGBL en gelet op de gezamenlijke feiten en omstandigheden met betrekking tot de relatie tussen verweerster en de experts, in dit geval in voldoende mate sprake is van een gezagsverhouding om een arbeidsverhouding in de zin van artikel 3, aanhef en onderdeel c, WGBL aan te nemen. De Commissie is derhalve bevoegd om het verzoek te beoordelen.
Het bovenstaande betekent dat het verbod van onderscheid op grond van leeftijd, als bedoeld in artikel 3 WGBL, van toepassing is op de vrijwilligerswerkzaamheden van verzoeker.

Onderscheid op grond van leeftijd

3.9 Nu is geconcludeerd dat sprake is van een arbeidsverhouding tussen verzoeker en verweerster moet worden beoordeeld of het gaat om onderscheid naar leeftijd en vervolgens of verweerster verboden onderscheid heeft gemaakt. In het onderhavige geval is het onbetwist dat verweerster de arbeidsverhouding met verzoeker heeft beëindigd vanwege zijn leeftijd. Op grond hiervan concludeert de Commissie dat verweerster jegens verzoeker onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt.

3.10 Artikel 7 WGBL bevat een aantal uitzonderingen op het verbod van onderscheid op grond van leeftijd. Voor deze zaak zijn van belang artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL en artikel 7, eerste lid, onderdeel c, WGBL.
In artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt indien het onderscheid betrekking heeft op het beëindigen van een arbeidsverhouding in verband met het bereiken van de leeftijd waarop op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) recht op ouderdomspensioen ontstaat, of van een bij of krachtens wet vastgestelde of tussen partijen overeengekomen hogere leeftijd.
In artikel 7, eerste lid, onderdeel c, WGBL is bepaald dat het verbod van onderscheid niet geldt indien het onderscheid anderszins objectief is gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

3.11 Thans dient te worden beoordeeld of de uitzondering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL, of van artikel 7, eerste lid, onderdeel c, WGBL van toepassing is op het verbod van onderscheid op grond van leeftijd bij de opzegging.

3.12 Het staat vast dat verweerster een leeftijdsgrens van 70 jaar hanteert, die eenzijdig door haar is vastgesteld. Deze leeftijdsgrens wordt alleen op de website van verweerster genoemd en is niet opgenomen in het Gentleman"s agreement of in de Gedragscode. Verzoeker was echter al geruime tijd ingeschreven bij verweerster voordat de website er was. Het is onbetwist dat de leeftijdsgrens bekend is bij de experts en bij verzoeker.
Tevens staat vast dat verzoeker na zijn 70ste jaar nog een aantal keren is uitgezonden en dat hij, in tegenstelling tot het beleid van verweerster (vergelijk overweging 2.5), geen brief heeft gekregen op het moment dat hij 70 jaar werd, waarin staat dat de arbeidsverhouding wegens het bereiken van die leeftijd wordt beëindigd.

Verweerster heeft hiertegen aangevoerd dat in het geval van verzoeker sprake was van een uitzonderingssituatie, te weten een schaars specialisme en/of een vervolgmissie en dat experts geen brief krijgen op hun 70ste als hiervan sprake is.

3.13 De Commissie constateert dat in het onderhavige geval de arbeidsverhouding van verzoeker niet is beëindigd in verband met een door partijen overeengekomen hogere leeftijd dan de AOW-gerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL.

De gehanteerde leeftijdseis van 70 jaar is pas nadat de arbeidsverhouding tussen partijen tot stand was gekomen eenzijdig door verweerster vastgesteld en deze is naar het oordeel van de Commissie geen deel gaan uitmaken van deze arbeidsverhouding. Immers, verweerster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker behoorlijk over de leeftijdsgrens is geïnformeerd en bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd heeft verzoeker geen brief gekregen, waarin staat dat de vrijwilligersovereenkomst wegens het bereiken van die leeftijd wordt beëindigd. Alleen al op grond hiervan oordeelt de Commissie dat artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL in dit geval niet van toepassing is.
Daarnaast acht de Commissie het van belang dat verweerster in het geval van verzoeker geen toepassing heeft gegeven aan deze door haar eenzijdig vastgestelde leeftijdsgrens van 70 jaar. Verzoeker is immers na het bereiken van die leeftijd nog tot zijn 74ste jaar vijf keer uitgezonden. Hierdoor is bij verzoeker het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat zijn arbeidsverhouding met verweerster niet was beëindigd of veranderd na zijn 70ste.

3.14 Nu verweerster voor verzoeker een uitzondering op vastgestelde leeftijdseis heeft gehanteerd en zij verzoeker kennelijk ook ruim na zijn zeventigste verjaardag nog geschikt vond voor uitzending, heeft verweerster in het geval van verzoeker het recht verwerkt om een beroep te doen op de door haar gehanteerde leeftijdsgrens van 70 jaar. Ook op grond hiervan kan verweerster geen beroep meer doen op de algemene uitzondering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL.

3.15 Een en ander laat onverlet dat verweerster in zijn algemeenheid op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL wel een algemene leeftijdsgrens boven de pensioengerechtigde leeftijd met haar experts mag overeenkomen, mits deze leeftijdsgrens kenbaar is voor de experts.

Objectieve rechtvaardiging

3.16 Nu de uitzondering van artikel 7, eerste lid, onderdeel b, WGBL in dit geval niet van toepassing is, beoordeelt de Commissie de vraag of de beëindiging van de arbeidsverhouding van verzoeker op zijn 74ste objectief is gerechtvaardigd ingevolge artikel 7, eerste lid, onderdeel c, WGBL. Het maken van onderscheid op grond van leeftijd kan immers onder omstandigheden zijn gerechtvaardigd. In dat geval dient de partij die onderscheid maakt feiten aan te dragen die dat onderscheid kunnen rechtvaardigen.

Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat voor het bereiken van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn, in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn.
Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan, levert het onderscheid geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving.

3.17 De Commissie overweegt als volgt.
Verweerster streeft met de leeftijdsgrens van 70 jaar en tevens voor de in dit geval gehanteerde leeftijdsgrens van 74 jaar, een drieledig doel na:
1. Bescherming van de expert.
Volgens verweerster is uit wetenschappelijk onderzoek gebleken en algemeen bekend dat lichamelijke vermogens afnemen naarmate men ouder wordt. Een uitzending naar het buitenland vergt doorgaans veel van de fysieke en mentale vermogens en in het algemeen is de belastbaarheid boven de 70 jaar afgenomen en levert uitzending naar het buitenland meer risico"s op.
2. De kwaliteit van de advisering.
Verweerster stelt dat een expert rond het 70ste levensjaar geruime tijd uit het actieve arbeidsproces is, waardoor de kennis en ervaring doorgaans niet meer voldoende actueel zijn.
3. De geloofwaardigheid van de expert in de ogen van de aanvragers in de ontwikkelingslanden.
In de praktijk blijkt volgens verweerster dat de geloofwaardigheid van de expert in de ogen van de aanvrager inboet naarmate de expert ouder is.

3.18 Naar het oordeel van de Commissie zijn deze doelen in het algemeen voldoende zwaarwegend en hebben zij geen discriminerend oogmerk.

3.19 Het middel - het hanteren van een leeftijdsgrens van 70 jaar en in casu 74 jaar - is echter niet geschikt om bovenstaande doelen te bereiken. Ten aanzien van de algemene leeftijdsgrens overweegt de Commissie dat de mate en het tempo waarin de fysieke en mentale vermogens van experts afnemen, verschilt per persoon. Dit geldt ook voor de tijd die is verstreken sinds de expert deelnam aan het actieve arbeidsproces en de actualiteit van hun kennis. Verzoeker heeft overtuigend aangevoerd dat hoge leeftijd in veel ontwikkelingslanden juist leidt tot respect. Op grond hiervan is de Commissie van oordeel dat het stellen van een algemene leeftijdsgrens geen geschikt middel is om de genoemde doelen te bereiken. Hierbij komt dat verweerster het middel niet consequent hanteert. Zij past de leeftijdsgrens van 70 jaar immers niet toe indien sprake is van een uitzonderingssituatie, te weten een vervolgmissie, een schaars specialisme en/of indien er geen andere experts voorhanden zijn. Derhalve acht de Commissie het middel niet noodzakelijk. Kennelijk is verweerster in staat om aan de hand van een individuele beoordeling van zowel de situatie als de betrokken expert, in uitzonderingssituaties af te wijken van de leeftijdsgrens van 70 jaar.

Ten aanzien van de beëindiging van de arbeidsverhouding met verzoeker op 74-jarige leeftijd heeft verweerster niet gemotiveerd waarom de uitzonderingssituatie in het geval van verzoeker tot zijn 74ste levensjaar wel een afwijking van de algemene leeftijdsgrens rechtvaardigde en daarna niet meer. Naar het oordeel van de Commissie is in het geval van verzoeker het middel derhalve niet geschikt om het doel te bereiken.

3.20 Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat het door verweerster gemaakte onderscheid op grond van leeftijd niet objectief is gerechtvaardigd. Verweerster heeft derhalve jegens verzoeker verboden onderscheid op grond van leeftijd gemaakt bij de beëindiging van de arbeidsverhouding.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . .jegens
. . . . verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd bij de beëindiging van een arbeidsverhouding.

Aldus gegeven te Utrecht op 29 maart 2007 door mr. M.M. van der Burg, voorzitter, mr. A.B. Terlouw en mr. B. Romkes, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. R.E.M. Schimmel, secretaris.

mr. M.M. van der Burg

mr. R.E.M. Schimmel

Grond:
Leeftijd
Trefwoord:
Bedrijfsleven
Beëindiging van arbeidsverhouding
Bevoegdheid Commissie (CGB)
Objectieve rechtvaardiging
Leeftijd
Wetsartikel:
artikel 1 lid 1 WGBL
artikel 4 WGBL
geprint van: http://www.cgb.nl/node/13178/volledig