Onderscheid op grond van geslacht bij beloning en doorstroming vrouwelijke docent.

Terug naar de samenvatting »

Volledig oordeel

Oordeel
2008-20

Dossiernummer: 2007-0080

op het verzoekschrift van 19 februari 2007 van
. . . .
wonende te . . . ., verzoekster

tegen

. . . .
gevestigd en kantoorhoudend te . . . ., verweerder
vertegenwoordigd door . . . ., rector, en . . . ., secretaris van het bestuur

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht om een oordeel over de vraag of verweerder jegens haar verboden onderscheid op grond van geslacht maakt bij de beloning.

1.2 De Commissie heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoekschrift.

1.3 De Commissie heeft vervolgens een loontechnisch onderzoek laten uitvoeren naar het beloningssysteem van verweerder. Dit onderzoek is uitgevoerd door de functiewaarderingsdeskundige van de Commissie, S. Bisschop. In het kader van dit onderzoek zijn gesprekken gevoerd met beide partijen. Van het onderzoek is een rapport opgesteld, gedateerd 20 juli 2007, dat het resultaat bevat van de bevindingen van voornoemde deskundige. Het rapport wordt als ingelast beschouwd en maakt als zodanig deel uit van dit oordeel.

1.4 De Commissie heeft partijen aansluitend in de gelegenheid gesteld op het onderzoeks-rapport te reageren. Beide partijen hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

1.5 Op de zitting van 4 oktober 2007 hebben partijen hun standpunten mondeling toegelicht. Tijdens de zitting was, op uitnodiging van de Commissie, de functiewaarderingsdeskundige aanwezig.

1.6 De Commissie heeft naar aanleiding van de zitting bij brief van 9 oktober 2007 nadere vragen gesteld aan de functiewaarderingsdeskundige over het loononderzoek. De reactie op deze vragen heeft de Commissie ontvangen op 15 oktober 2007. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Verzoekster heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Op 1 november 2007 heeft de Commissie de reactie ontvangen van verweerder. Bij brief van 6 november 2007 heeft de Commissie partijen meegedeeld dat het onderzoek in de zaak is gesloten.

2 Feiten

2.1 Verzoekster is vanaf augustus 2002 bij verweerder, een school voor voortgezet onderwijs, werkzaam als docent Duits in het VWO-team. Het onderwijs wordt verzorgd door vier teams, te weten het brugklasteam, het MAVO-team, het HAVO-team en het VWO-team.

2.2 Bij verweerder zijn 105 mensen in dienst, waarvan ongeveer een derde werkzaam in ondersteunende diensten. Op de werknemers is de CAO voor het voortgezet onderwijs, hierna: de CAO, van toepassing.

2.3 Verweerder heeft in augustus 2004, conform de CAO, het FUWASYS-VO functiewaarderingssysteem ingevoerd. Hierbij zijn de zogenaamde (L)B en (L)C functies geïntroduceerd. De bij verweerder werkzame docenten zijn ingeschaald in de salarisschalen LB, LC en LD, waarbij de LB-schaal de laagste schaal is en de LD-schaal de hoogste.
De D-functie wordt uitsluitend toegekend aan afdelingsleiders.

2.4 Verzoekster heeft in het kader van de voorliggende procedure drie mannelijke collega"s aangewezen als maatman, te weten H. van Essen, hierna: maatman 1, drs. W.H.M. Freriks, hierna: maatman 2, en M. Blommestijn, hierna: maatman 3. Maatman 1 is ingeschaald in salarisschaal LC, maatmannen 2 en 3 zijn ingeschaald in de salarisschaal LD. Verzoekster is ingeschaald in salarisschaal LB.

2.5 Maatman 1 is de eerste docent die na invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem op basis van competentiewaardering vanuit de B-functie is doorgegroeid naar de C-functie. Maatmannen 2 en 3 zijn op grond van in het verleden toegekende salarisgaranties (de zogenoemde Herziening onderwijs salarisstructuur (HOS) salarisgarantie) en niet op grond van competenties of functioneren geplaatst in de C-functie en worden beloond volgens salarisschaal LD.

2.6 In 1984 is voor de docenten een nieuwe beloningssystematiek van kracht geworden. Was voorheen de genoten opleiding de maatstaf voor de inschaling, vanaf 1984 werd dit de functie-inhoud. Hierdoor ontstonden voor de zittende docenten - voor-Hossers - soms lagere carrièreperspectieven. De Minister van Onderwijs en Wetenschappen heeft daarom in 1984 aan deze docenten een beschikking uitgereikt, waarin een garantie werd afgegeven voor een salarisschaal en salaristrede. Deze HOS-salarisgarantie was gelijk aan het salaris dat de docent in de oude beloningssystematiek over een periode van vijftien jaar zou hebben verdiend bij een normale salarisgroei.

2.7 Verweerder heeft aan de HOS-salarisgarantie een eigen uitleg gegeven door de zogenaamde wachtkamerconstructie in het leven te roepen. In de wachtkamer zaten docenten die bij het ontstaan van extra formatieve ruimte zouden kunnen doorgroeien naar een hoger salarisniveau dan de beschikking van de Minister aangaf. Op deze grond zijn in augustus 2000 twee vrouwelijke en vier mannelijk docenten met een HOS-salarisgarantie alsnog beloond volgens de toenmalige salarisschaal 12. Door de hogere inschaling van deze zes docenten was de formatieve ruimte in 2004, bij de totstandkoming van de C-functie, beperkt, aangezien de personeelskosten de formatieve ruimte bepalen en daarmee het aantal C-functies dat binnen de organisatie is te vergeven.

2.8 Behalve doordat alle in overweging 2.7 genoemde docenten in een C-functie zijn benoemd, is de formatieve ruimte - en daarmee de doorgroeimogelijkheid van docenten met een
B-functie - ook door twee andere omstandigheden beperkt. Allereerst zijn in 2002, kort voor de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem en het ontstaan van de
C-functie, de zittende sectievoorzitters in de toenmalige salarisschaal 11 geplaatst, omdat er enige formatieruimte ontstond. Ten tweede is de C-functie aanvankelijk uitsluitend aangeboden aan docenten met een HOS-salarisgarantie (en aan de hiervoor genoemde sectievoorzitters), aangezien deze docenten al een salaris ontvingen dat op of boven het niveau van de C-functie lag en de personeelskosten bij hun benoeming in de C-functie daarom niet verder zouden stijgen.

2.9 Verweerder hanteert als uitgangspunt dat per team minimaal vijf C-functies moeten zijn ingevuld.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 In geding is of verweerder jegens verzoekster onderscheid maakt op grond van geslacht bij de beloning door verzoekster lager te belonen dan haar mannelijke collega"s en/of vanwege de kleinere mogelijkheden van doorstroming naar een C-functie.

De beloning

3.2 In artikel 7:646, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de artikelen 7 tot en met 10 van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij - onder meer - de arbeidsvoorwaarden, daaronder begrepen de beloning, wanneer zij arbeid verrichten van gelijke of nagenoeg gelijke waarde. Op grond van deze bepalingen zal allereerst moeten worden vastgesteld of de functies van verzoekster en de maatmannen van gelijke waarde zijn. Vervolgens wordt de toepassing van de beloningsmaatstaven getoetst.

3.3 De eerste vraag die moet worden beantwoord, is of sprake is van arbeid van gelijke waarde. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de formeel aan verzoekster opgedragen taken niet tot een hogere score leiden dan de B-functie. Uit de gesprekken die met partijen zijn gevoerd in het kader van het functiewaarderingsonderzoek blijkt dat verzoekster naast de formeel opgedragen taken ook andere taken heeft verricht. In het onderzoeksrapport heeft de functiewaarderingsdeskundige bij het vaststellen van het werkelijke functieniveau de volgende taken meegewogen: het fungeren als coach en vraagbaak voor collega"s, het ontwerpen en ontwikkelen van leerdoelen en leerlijnen, het rekening houden met het onderwijsconcept van de school bij het ontwikkelen van leerdoelen, en het onderhouden van contacten met andere onderwijsinstellingen alsmede het initiëren van activiteiten buiten de scholengemeenschap. Op basis van zijn interpretatie van de werkelijk verrichte werkzaamheden, concludeert de functiewaarderingsdeskundige dat verzoekster feitelijk een (lichte) C-functie vervult.

3.4 De Commissie is op basis van de bevindingen van de functiewaarderingsdeskundige van oordeel dat verzoekster werkzaamheden heeft verricht die bij elkaar genomen meebrengen dat verzoekster werkzaamheden op C-niveau heeft verricht. Naar het oordeel van de Commissie is evenwel onvoldoende gebleken dat verzoekster deze werkzaamheden in enigerlei periode na haar indiensttreding structureel heeft verricht. Evenmin is duidelijk geworden in hoeverre deze werkzaamheden haar zijn opgedragen of zijn uitgevoerd met medeweten van het bevoegd gezag en met eigen verantwoordelijkheid voor het resultaat. De bevindingen van de functiewaarderingsdeskundige acht de Commissie dan ook onvoldoende om te concluderen dat verzoekster feitelijk een C-functie vervult.

3.5 Uit het onderzoeksrapport blijkt dat maatmannen 1 en 2 functietaken vervullen die zich op het C-niveau bevinden. Voorts blijkt uit het onderzoeksrapport dat maatman 3 weliswaar een C-functie heeft, maar geen niet-lesgevende taken op dat niveau verricht. Niet gebleken is dat maatman 3 lesgevende taken specifiek op C-niveau vervult. Maatman 3 vervult daarom in de praktijk een B-functie. Verzoeksters werkelijke functietaken zijn daarom niet-gelijkwaardig aan de functietaken van maatmannen 1 en 2, maar liggen tenminste op hetzelfde niveau als de feitelijke werkzaamheden van maatman 3. Nu deze conclusies van het onderzoeksrapport door partijen niet zijn betwist, ziet de Commissie geen reden om zelfstandig na te gaan of de door de maatmannen feitelijk verrichte functietaken opgedragen en structureel van aard waren en volgt zij de functiewaarderingsdeskundige in de vaststelling van het niveau van de feitelijke functievervulling door de maatmannen.

3.6 Op basis van bovenstaande overwegingen concludeert de Commissie dat verzoekster zich voor wat betreft haar inschaling niet kan vergelijken met maatmannen 1 en 2, maar wel met maatman 3. Aangezien verzoekster lager is ingeschaald dan maatman 3, terwijl tussen partijen vaststaat dat zij arbeid van tenminste dezelfde waarde verricht, komt de Commissie tot de conclusie dat er sprake is van direct onderscheid op grond van geslacht.

De doorstroming

3.7 Vervolgens is de vraag aan de orde of het feit dat aan docenten met een HOS-salarisgarantie de C-functie - zoals maatmannen 2 en 3 - vrijwel automatisch is toegekend, waardoor de formatieve ruimte is beperkt en daarmee de mogelijkheid van doorstroming voor B-docenten is verkleind, leidt tot onderscheid op grond van geslacht.

3.8 Uit het onderzoeksrapport blijkt dat de mogelijkheid om door te groeien naar een C-functie vooral wordt bepaald door de formatieve ruimte. Verweerders beleid houdt in dat hij bij ieder team minimaal vijf C-functies opvult en, zodra er opnieuw formatieve ruimte ontstaat, deze ruimte gelijkmatig over de afdelingen verdeelt. Omdat de docenten met een HOS-salarisgarantie al op of boven het niveau van de toenmalige salarisschaal 11 waren ingedeeld, zou benoeming van andere docenten in de C-functie, bij de introductie van deze functie, geleid hebben tot een stijging van de personele lasten en daardoor tot een kleinere formatieruimte. Op grond van dit beleid zijn de beschikbare C-functies in eerste instantie aan docenten met een HOS-salarisgarantie toegekend, waaronder maatmannen 2 en 3. Voor maatman 1 geldt dat hij de eerste B-docent was die op basis van vrijkomende ruimte kon meedingen naar een functie op C-niveau. Volgens het gehanteerde beleid diende deze functie binnen het HAVO-team te worden opgevuld. Ten opzichte van maatman 3, die feitelijk een B-functie vervult, verklaart de keus om docenten met een HOS-salarisgarantie, zoals hij, de C-functie aan te bieden en het gebrek aan formatieve ruimte het verschil tussen hem en verzoekster wat betreft toegekend functieniveau. Ook het feit dat aan de zes HOS-docenten een hogere salarisschaal is toegekend dan de salarisgarantie vereiste, speelt hierbij een rol. Deze keuze is niet terug te voeren op de HOS-nota. Hieruit volgt naar het oordeel van de Commissie dat de doorgroeimogelijkheden van docente zonder HOS-salarisgarantie - in de ruime zin waarin verweerder deze heeft gehanteerd - kleiner waren dan die van docenten met zo"n garantie.

3.9 Voorts blijkt uit het onderzoeksrapport, op basis van statistische berekeningen, dat het aanvankelijk toekennen van de C-functie aan uitsluitend docenten met een HOS-salarisgarantie gemiddeld genomen in het nadeel is van vrouwelijke docenten.

3.10 In dit verband voert verweerder aan dat verzoekster, gelet op de wijze van functievervulling, niet of nog niet in aanmerking kwam voor een C-functie. De Commissie oordeelt niet over de geschiktheid van verzoekster. Zij beoordeelt slechts of het geslacht van verzoekster (mede) een rol heeft gespeeld bij het verschil in beloning tussen verzoekster en de maatmannen. Voor dit oordeel is voldoende dat is gebleken dat de doorgroeimogelijkheden van docenten zonder HOS-salarisgarantie en dus van vrouwelijke docenten, zijn beperkt door het aanvankelijk toekennen van de C-functie aan uitsluitend docenten met een HOS-salarisgarantie.

3.11 Op grond van het vorenstaande komt de Commissie tot de conclusie dat de beperkte mogelijkheid van doorstroming is toe te schrijven aan de criteria op grond waarvan de C-functies zijn toegekend. Door als criterium te hanteren of in het verleden een
HOS-salarisgarantie was toegekend heeft verweerder indirect onderscheid op grond van geslacht gemaakt (vergelijk CGB 29 december 2000, oordeel 2000-98). Aangezien voor dit onderscheid geen objectieve rechtvaardiging is aangevoerd (artikel 7:646, tiende lid, BW), is sprake van verboden onderscheid.

3.12 Bovenstaande overwegingen leiden tot het volgende oordeel.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat het . . . . jegens . . . .:

- verboden onderscheid maakt op grond van geslacht bij de beloning door haar lager in te schalen dan maatman 3;
- verboden onderscheid heeft gemaakt maakt op grond van geslacht door de C-functie aanvankelijk uitsluitend toe te kennen aan docenten met een HOS-salarisgarantie.

Aldus gegeven te Utrecht op 20 februari 2008 door mr. A.G. Castermans, voorzitter van de Commissie Gelijke Behandeling, mr. A.B. Terlouw en mr. B. Romkes, leden van de Commissie Gelijke Behandeling in tegenwoordigheid van mr. M.A. de Groot, secretaris.

mr. A.G. Castermans

mr. M.A. de Groot

Grond:
Geslacht
Trefwoord:
Geslacht
Arbeidsvoorwaarden
Beloning
Bevordering
CAO's
Functiewaardering
Onderwijs
Wetsartikel:
artikel 5 lid 2 WGB
artikel 6a WGB
artikel 7 WGB
artikel 9 WGB
artikel 7A:1637ij BW
artikel 7A:1637ij lid 1 BW
geprint van: http://www.cgb.nl/node/13337/volledig