- Home
- Over CGB
- Dossiers
- Oordelen
- Publicaties
- Nieuws
- Wetgeving
- Art. 1 Grondwet
- Over de wetgeving
- Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
- Art. 7:646 t/m 7:649 BW
- Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
- Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)
- Artikel 125g en 125h van de Ambtenarenwet (AW)
- Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) voor ambtenaren
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling
- FAQ
Verweerster maakt direct onderscheid op grond van godsdienst, welk onderscheid niet is verboden op grond van de wet.
Volledig oordeel
Oordeel
2003-112
Dossiernummer: 2003-0032
op het verzoekschrift van 2 april 2003 van
Stichting Steunpunt Anti-Discriminatie (STAD)
gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht, verzoekster
verschenen in persoon van drs. M.A.E. Jansen, coördinator
tegen
. . . .
gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht, verweerster
verschenen in persoon van . . . ., rector . . . ., bijgestaan door mr. R.H.A. Wessel, advocaat te Den Haag
1 Procesverloop
1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht om een oordeel over de vraag of verweerster in strijd handelt met de wetgeving gelijke behandeling door haar leerlingen niet toe te staan tijdens de lessen en in de mediatheek een hoofddoek te dragen.
1.2 Verzoekster heeft de Commissie verzocht de zaak met spoed te behandelen omdat de leerlinge, naar aanleiding van wie verzoekster de zaak heeft ingediend, eindexamen doet. De Commissie heeft dit verzoek om spoed bij brief van 23 april 2003 vanwege het ontbreken van voldoende belang afgewezen. De Commissie achtte wel voldoende termen aanwezig om de zaak voortvarend te behandelen.
1.3 De Commissie heeft verweerster in de gelegenheid gesteld op het verzoek te reageren met een verweerschrift. Op 22 mei 2003 is het verweerschrift bij de Commissie ontvangen.
1.4 Op 12 juni 2003 heeft de Commissie zitting gehouden waar partijen onder meer hun standpunten mondeling hebben toegelicht. Verzoekster heeft mr. D. Houtzager en
G. Grubben, beiden werkzaam bij het Landelijk Bureau ter bestrijding van Rassendiscriminatie (LBR), in de hoedanigheid van getuigen-deskundigen, meegenomen naar de zitting.
2 Feiten
2.1 Verzoekster is een stichting die zich blijkens haar statuten onder andere ten doel stelt het bestrijden en voorkomen van discriminatie in de brede zin van het woord, in het bijzonder discriminatie naar ras, seksuele gerichtheid en geslacht. Verzoekster probeert dit doel onder meer te bereiken door hulpverlening aan personen die slachtoffer zijn geworden van discriminatie. Daarnaast is verzoekster bevoegd tot alle rechtshandelingen en overige wettelijke middelen waartoe het bestuur heeft besloten, waaronder begrepen het voeren van gerechtelijke en administratiefrechtelijke procedures.
2.2 Verweerster is een stichting die het bevoegd gezag is van een school voor Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs, Hoger Algemeen Voortgezet Onderwijs en Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs-theoretische leerweg, hierna: de school. De school heeft een katholieke signatuur. Naast de school vallen nog een viertal andere scholen onder het gezagsbereik van verweerster.
2.3 De doelstelling van verweerster is opgenomen in artikel 2 van de statuten:
"1. De stichting heeft zonder winstoogmerk ten doel de bevordering van het algemeen voortgezet en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs in het gebied van de provincie Utrecht. Zij beoogt daarbij dit onderwijs te doen geven op grondslag van de rooms-katholieke beginselen.
2. Zij wil daarbij handelen volgens de regelingen betreffende het katholiek onderwijs, die op grond van het gezamenlijk overleg in de Nederlandse Katholieke Schoolraad zijn vastgesteld, alsmede handelen volgens het Algemeen Reglement voor het Katholiek Onderwijs."
2.4 Aan ouders en aspirant leerlingen die zich aanmelden bij de school wordt gevraagd of zij de identiteit van de school onderschrijven. Dit wordt onder meer vermeld in de schoolgids, waarin het volgende is opgenomen: "Aan ouders en kinderen die zich aanmelden wordt bij de bevestiging van de aanname nog eens extra gevraagd of zij de identiteit van de school onderschrijven. De aanname wordt slechts geëffectueerd op het moment dat de ouders/verzorgers van de aspirant-leerling het "school-leercontract" dat aangeboden wordt, ondertekend retourneren. Met het onderschrijven van dit "school-leercontract" geven ouders/verzorgers aan dat de leerling, ook na het bereiken van de 18-jarige leeftijd, deelneemt aan alle lessen of lesvervangende activiteiten, waaronder de godsdienstlessen, vieringen en andere activiteiten waarmee de school haar identiteit uitdraagt. Ook wordt onderschreven dat de schoolleiding de bevoegdheid heeft voorschriften te geven en te wijzigen inzake uiterlijk en kleding van de leerlingen."
2.5 In het schoolleercontract is opgenomen dat de school degelijk onderwijs wil bieden waarbij wederzijds respect vanuit de christelijke traditie centraal staat. Vanuit het evangelie wil de school de leerlingen normen en waarden meegeven die hen in het latere maatschappelijke leven houvast bieden. Tevens is in dit schoolleercontract vermeld dat met de ondertekening van dit contract wordt aangegeven dat de identiteit van de school gedurende de gehele schoolperiode wordt gerespecteerd. Hiertoe wordt verwezen naar de schoolgids en het leerlingenstatuut.
2.6 De bevoegdheid om voorschriften te geven en te wijzigen inzake uiterlijk en kleding van de leerlingen is opgenomen in artikel 16 van het leerlingenstatuut en is uitgewerkt in de bijlage bij het leerlingenstatuut. In deze bijlage wordt een nadere uitleg gegeven over de identiteit en de missie van de school. Ten aanzien van gedrag en kleding is, voorzover relevant, het volgende opgenomen: "Kleding, kledingstukken en accessoires die gedragen worden, en die geassocieerd kunnen worden met een niet-katholieke of niet-christelijke levensovertuiging, of strijdig zijn met de goede zeden, zijn niet toegestaan. Ook uit het oogpunt van fatsoenlijke omgangsvormen is het dragen van vormen van hoofddeksels binnen de schoolgebouwen verboden. Dit betekent dat ondermeer het dragen van een cap, pet, hoofddoekje, burqa, chador, djelleba, niqaab niet toegestaan is."
2.7 Het leerlingenstatuut wordt aan de (nieuwe) leerling uitgedeeld bij de eerste aanmelding op de school. Daarnaast wordt aan het begin van elk schooljaar aan iedere leerling een uittreksel van de schoolregels uitgereikt. Hierin is onder andere opgenomen dat het tijdens de lessen niet is toegestaan petten, hoeden en andere hoofdbedekking te dragen.
2.8 Op 25 november 2002 meldde zich een leerlinge hierna: cliënte bij verzoekster met de klacht dat verweerster haar verbood tijdens de lessen en in de mediatheek een hoofddoek te dragen. De conrector leerling-zaken heeft bij brief van 25 november 2002 aan de ouders van cliënte kenbaar gemaakt dat ingevolge de schoolregels het dragen van hoofdbedekking tijdens de lessen niet is toegestaan. Van deze regels ontvangt elke leerling ieder schooljaar een uittreksel (zie onder 2.7). In deze brief wordt bevestigd dat met cliënte is afgesproken dat het dragen van een hoofddoek in de lessen en de mediatheek niet is toegestaan. Dit kledingvoorschrift geldt niet buiten de lessen en in de aula.
2.9 Naar aanleiding van deze klacht heeft verzoekster bij brief van 10 december 2002 verweerster op de hoogte gesteld van de geldende wet- en regelgeving op het gebied van gelijke behandeling en aangegeven dat het door verweerster gehanteerde verbod op het dragen van een hoofddoek in strijd is met deze wetgeving. Verder spreekt verzoekster in deze brief de verwachting uit dat het cliënte wordt toegestaan haar hoofddoek ook tijdens de lessen te dragen. Bij brief van 10 februari 2003 doet verweerster een voorstel voor een gesprek, welk gesprek plaatsvond op 21 februari 2003 tussen de rector en een medewerker van verzoekster. Naar aanleiding van dit gesprek vond op 20 maart 2003 een bemiddelingsgesprek plaats tussen de rector, de conrector leerling-zaken, een medewerker van verzoekster, cliënte en een nichtje van cliënte.
3 Standpunten van verzoekster en gronden van het verzoek
3.1 De cliënte van verzoekster bevindt zich thans in het vijfde leerjaar en zij heeft besloten volgens de Koran te gaan leven. Het dragen van een hoofddoek, ook op school, maakt hier deel van uit. Verweerster heeft cliënte echter te kennen gegeven dat het, gelet op de schoolregels, verboden is een hoofddoek te dragen. Indien zij zich niet aan de regels houdt, zou cliënte de school moeten verlaten. Cliënte staat echter op het standpunt dat zij het recht heeft te allen tijde haar hoofddoek te dragen. Zij voelt zich dan ook ongelijk behandeld vanwege haar godsdienst.
3.2 Verzoekster heeft tijdens gesprekken met cliënte geconstateerd dat deze kwestie emotionele druk bij cliënte veroorzaakt. Zij wordt ook regelmatig door leraren op het dragen van haar hoofddoek aangesproken, waarbij zij wordt gevraagd haar hoofddoek, voordat zij de klas betreedt, af te doen. Daarnaast krijgt zij soms ongewenste en persoonlijk getinte vragen van leerkrachten over haar geloofsbeleving en stoot zij op onbegrip. Vanwege deze emotionele druk en het eindexamenjaar waarin cliënte zich bevindt, heeft verzoekster een zelfstandig verzoek ingediend. Daar komt bij dat een andere leerlinge zich met eenzelfde klacht over de school van verweerster bij verzoekster heeft gemeld.
3.3 Verzoekster stelt primair dat verweerster direct onderscheid op grond van godsdienst maakt omdat in de schoolregels, zoals die zijn opgenomen in het leerlingenstatuut, rechtstreeks wordt verwezen naar (andere) godsdienstige uitingen. Het beroep van verweerster dat het door haar gehanteerde beleid nodig is ter verwezenlijking van de grondslag van de school, gaat niet op. Verzoekster meent dat verweerster niet consequent is in haar beleid aangezien alleen katholieken in volle omvang hun geloof mogen uiten terwijl leerlingen van andere gezindten, die wel worden toegelaten, zulks niet mogen. Wanneer een instelling van bijzonder onderwijs, zoals de school in casu, leerlingen met een andere geloofsovertuiging toelaat, mogen er geen aanvullende eisen worden gesteld. Dergelijke eisen mogen alleen worden gesteld als verweerster een stringent toelatingsbeleid zou voeren dat neerkomt op het alleen toelaten van katholieke leerlingen. Dan zou sprake zijn van een consequent beleid. Nu verweerster ook andersgelovigen, waaronder moslims, toelaat, moet zij het hen ook toestaan uiting te geven aan dit andere geloof.
3.4 Het feit dat op enkele andere scholen die onder het bevoegd gezag van verweerster vallen wel hoofddoeken mogen worden gedragen, geeft tevens aan dat verweerster niet consequent is in haar beleidsvoering. Daar komt bij dat er in de situatie van cliënte wel een compromis mogelijk was, hetgeen ook geldt voor de andere leerlinge die zich bij verzoekster heeft gemeld. Ook bestaat er onduidelijkheid over de gelding van het verbod nu in het uittreksel, waarin niet wordt verwezen naar het leerlingenstatuut, alleen melding wordt gemaakt van een verbod voor de lessen, terwijl in het leerlingenstatuut een verbod voor het gehele schoolgebouw is opgenomen. Daarnaast levert het dragen van een hoofddoek geen gevaar op voor de grondslag van de school, mede ook gezien het feit dat cliënte de grondslag van de school onderschrijft.
3.5 Subsidiair stelt verzoekster dat verweerster indirect onderscheid op grond van godsdienst maakt omdat met name personen die vanuit hun godsdienstige overtuiging een hoofdbedekking dragen onevenredig door het verbod worden getroffen. Voor dit indirecte onderscheid geldt geen objectieve rechtvaardigingsgrond nu niet is gebleken dat het hanteren van een dergelijk verbod noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de grondslag van de school.
3.6 Tenslotte benadrukt verzoekster het belang van een uitspraak van de Commissie in deze zaak hoe deze ook luiden zodat er duidelijkheid wordt verkregen over de interpretatie van de uitzonderingsbepaling van artikel 7, tweede lid, AWGB. Dit ook mede gelet op de leidraad van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen.
4 Standpunten van verweerster en gronden van het verweer
4.1 Verweerster is het bevoegd gezag van de school, die een traditionele katholieke signatuur heeft. Dit volgt uit de statuten van verweerster en is uitgewerkt in de schoolgids, het schoolleercontract en het leerlingenstatuut van de school. Daarnaast blijkt uit het vakwerkplan godsdienst/bijbelkunde dat alle vieringen en gebedsdiensten en daarmee gepaard gaande bezoeken verplicht zijn voor de leerjaren één tot en met vier. Ook bijvoorbeeld tijdens de vastenactie, met kerstvieringen, tijdens gebedsdiensten en met festiviteiten wordt met regelmaat daadwerkelijk invulling gegeven aan de katholieke signatuur van de school.
4.2 De school bestaat al 130 jaar en staat bekend als katholieke school. De school is ook ingericht als een katholieke school hetgeen tot uiting komt in de kruisbeelden die in het gehele schoolgebouw hangen en de aanwezigheid van een schoolpastor. Daarnaast zijn er relaties met het bisdom en is de school door de Nederlandse Katholieke Scholenraad aangewezen als katholieke school.
4.3 Het feit dat van ouders/verzorgers en leerlingen wordt gevraagd de katholieke doelstelling van de school te onderschrijven betekent niet dat de betrokkenen zelf ook van katholieke signatuur moeten zijn. De school staat in beginsel open voor leerlingen van alle gezindtes, mits zij de signatuur van de school onderschrijven en respecteren. Aan de katholieke signatuur wordt in de praktijk daadwerkelijk uiting gegeven, waardoor van betrokkenen ook wordt verlangd dat men de identiteit van de school onderschrijft en respecteert.
4.4 Voor verweerster is het uitdragen van de katholieke signatuur van de school van een zo wezenlijk belang dat uitingen, die met die signatuur strijdig zijn, niet worden toegestaan. Verweerster hecht eraan dat de grondslag van de school ook zichtbaar is voor de buitenwereld. Leerlingen van allerlei gezindtes zijn welkom op de school zolang ze de grondslag van de school onderschrijven en geen uiting geven aan een andere dan het katholieke geloof. Het verbod op het dragen van een hoofddoek en andere kledingstukken waarmee uiting wordt gegeven aan een andere godsdienst vloeit voort uit genoemde identiteit van de school.
4.5 Het verbod op het dragen van hoofdbedekking en uitingen die strijdig zijn met de katholieke grondslag van de school geldt voor het gehele schoolgebouw en geldt voor alle leerlingen. Het uittreksel dat jaarlijks aan de leerlingen wordt uitgereikt vloeit voort uit de oude situatie van de school waarin er alleen lokalen waren. Het verbod geldt echter voor het gehele schoolgebouw en alle verplichte lesactiviteiten. De klacht van de cliënte van verzoekster betreft de situatie waarin een leerlinge reeds was toegelaten tot de school en op het punt stond eindexamen te doen. Om die reden en bij afwezigheid van ervaringen met soortgelijke situaties in het verleden, heeft verweerster naar een compromis gezocht. Hetzelfde geldt voor de andere leerlinge die zich bij verzoekster heeft gemeld. Dit compromis houdt in dat het de leerlinge is toegestaan om buiten de lessen, de mediatheek en de verplichte lesactiviteiten een hoofddoek te dragen. Het betreft incidentele afspraken die betrekking hebben op een specifiek ontstane situatie. De regel is echter dat het niet is toegestaan uiting te geven aan een geloofsovertuiging die strijdig is met de katholieke, zoals het uiting geven aan een Islamitische geloofsovertuiging door het dragen van een hoofddoek. Verweerster meent dat het compromis verenigbaar is met de grondslag van de school omdat het uitdrukkelijk een uitzonderingssituatie betreft. Ook past het bij de katholieke identiteit van de school om te zoeken naar een oplossing. Nieuwe leerlingen die zich aanmelden dienen zich te conformeren aan de regel.
4.6 De stelling van verzoekster dat verweerster niet consequent is in haar beleid omdat zij wel leerlingen van andere gezindtes toelaat maar hen niet toestaat uiting te geven aan die andere gezindtes, en dus met andere woorden een stringent toelatingsbeleid zou moeten voeren, gaat verweerster te ver. Ook aan het feit, dat enkele van de andere scholen die onder het bevoegd gezag van verweerster vallen wel het dragen van een hoofddoek toestaan, kan niet de conclusie worden verbonden dat de school niet consequent is in haar beleid. Het is niet zo dat alle vijf de scholen een uniforme lijn dienen te trekken. Iedere school is tot op zekere hoogte vrij om een eigen beleid te voeren.
4.7 Verweerster meent dat het verbod op het dragen van hoofdbedekking en religieuze uitingen die afwijken van de signatuur van de school wordt gerechtvaardigd door de grondslag van de school. Verweerster doet hiervoor een beroep op artikel 7, tweede lid, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Het verbod vloeit immers voort uit de grondslag en de godsdienstige richting van deze bijzondere school. Nu in de praktijk daadwerkelijk uiting wordt gegeven aan de grondslag van de school en deze consequent wordt gehandhaafd, is er, ook gelet op het Maimonides-arrest (HR 22 januari 1988, AB 1988, 96), sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Verweerster maakt dan ook geen verboden onderscheid.
5 Beoordeling van het verzoek
5.1 In geding is de vraag of verweerster onderscheid maakt op grond van godsdienst door, met een beroep op de katholieke grondslag van de school, leerlingen niet toe te staan een hoofddoek te dragen binnen de schoolgebouwen.
5.2 Eerst dient de Commissie de vraag te beantwoorden of verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek. Hiertoe strekken de volgende overwegingen.
5.3 Verzoekster is een stichting die zich blijkens haar statuten onder andere ten doel stelt het bestrijden en voorkomen van discriminatie in de brede zin van het woord, in het bijzonder discriminatie naar ras, seksuele gerichtheid en geslacht. Dit doel poogt verzoekster onder meer te bereiken door middel van hulpverlening aan personen die slachtoffer zijn geworden van discriminatie. Daarnaast is verzoekster bevoegd gerechtelijke procedures te voeren. Uit de statuten en de feitelijke werkzaamheden van verzoekster blijkt dat zij in overeenstemming met haar statuten de belangen behartigt van degenen die de AWGB beoogt te beschermen. Hiermee voldoet verzoekster aan de ontvankelijkheidsvereisten die volgen uit artikel 12, tweede lid, onderdeel e, AWGB.
Verzoekster heeft geen namen genoemd van personen ten nadele van wie zou zijn gehandeld, zoals bedoeld in artikel 12, derde lid, AWGB. Een onderzoek door de Commissie naar mogelijke bezwaren van deze personen tegen het onderhavige verzoek kan derhalve achterwege blijven.
5.4 Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, AWGB bepaalt dat het maken van onderscheid is verboden bij het aanbieden van goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake door, onder andere, instellingen die werkzaam zijn op het gebied van onderwijs. Verweerster is het bevoegd gezag van een instelling voor voortgezet onderwijs. Derhalve is artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel c, AWGB van toepassing. Het verbod op het maken van onderscheid ziet, ingevolge artikel 1 AWGB, onder meer op onderscheid op grond van godsdienst.
5.5 Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en internationale mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40. Vgl. Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging.
5.6 Het is de vaste oordelenlijn van de Commissie dat het dragen van een hoofddoek door een moslimvrouw of moslimmeisje een uiting kan zijn van haar geloofsovertuiging (onder meer CGB 30 oktober 2001, oordeel 2001-96). De omstandigheid dat de naleving van godsdienstige voorschriften verschillend is en dat over het dragen van een hoofddoek in moslimkringen verschillend wordt gedacht, doet daaraan voor de bescherming van een persoon tegen ongeoorloofd onderscheid, zoals bedoeld in de AWGB, niet af (CGB 21 maart 1997, oordeel 1997-23 en CGB 26 maart 1997, oordeel 1997-24). Ook in de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat het dragen van een hoofddoek door de cliënten van verzoekster een uiting is van hun geloofsovertuiging. Dit leidt tot de conclusie dat in het onderhavige geval godsdienst de grond is voor mogelijk onderscheid.
5.7 Onderscheid kan zowel direct als indirect zijn, ingevolge artikel 1 AWGB. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid waarbij rechtstreeks wordt verwezen naar één van de door de AWGB beschermde discriminatiegronden, waaronder godsdienst. Elk direct onderscheid is ingevolge de AWGB verboden, tenzij er in de wet een specifieke uitzonderingsmogelijkheid is opgenomen.
5.8 In het leerlingenstatuut wordt het dragen van kledingstukken die geassocieerd kunnen worden met een niet-katholieke of niet-christelijke geloofsovertuiging verboden. Er mag, redenerend vanuit de grondslag van de school, geen uiting worden gegeven aan een andere dan de katholieke godsdienst, waaronder de Islam. Derhalve wordt door verweerster rechtstreeks verwezen naar de grond godsdienst. De Commissie stelt dan ook vast dat verweerster direct onderscheid maakt.
5.9 Direct onderscheid is verboden tenzij sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond, zoals opgenomen in artikel 7, tweede lid, AWGB. Dit artikel biedt aan een instelling van bijzonder onderwijs de mogelijkheid om bij de toelating en ten aanzien van de deelname aan het onderwijs eisen te stellen, die gelet op het doel van de instelling nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Daarbij geldt dat deze eisen niet mogen leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Ten aanzien van godsdienst geldt dit laatste niet.
5.10 Deze bepaling houdt verband met artikel 23 Grondwet (Gw), waarin de vrijheid van onderwijs is gewaarborgd. Deze vrijheid van onderwijs brengt mee dat instellingen van bijzonder onderwijs eisen kunnen stellen ter verwezenlijking van hun identiteit, zolang zij daarbij geen onderscheid maken dat niet wordt gerechtvaardigd door de door deze identiteit gekenmerkte verhoudingen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 17). De eisen aan leerlingen of andere onderwijsdeelnemers zullen, voor wat betreft de verwezenlijking van de grondslag, minder stringent zijn dan aan het personeel van een onderwijsinstelling (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 22).
5.11 Uit de AWGB vloeit ten aanzien van de beoordeling van de in geding zijnde vraag een toetsingskader voort, waarbij de Commissie achtereenvolgens dient na te gaan of er sprake is van een instelling van bijzonder onderwijs, of het in de schoolregels neergelegde verbod gelet op het doel van de school noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de grondslag van de school en of het verbod is gegrond op een consistent en op het doel van de school berustend beleid ( zie CGB 28 september 2000, oordeel 2000-67).
5.12 De Commissie stelt op grond van de statuten van verweerster vast, dat verweerster het bestuur is van een instelling van bijzonder onderwijs, zoals bedoeld in artikel 7, tweede lid, AWGB. Verweerster kan derhalve een beroep doen op voornoemd artikel.
5.13 Teneinde te beoordelen of dit beroep in casu slaagt, dient de Commissie vervolgens na te gaan of het door verweerster gehanteerde verbod nodig is voor de verwezenlijking van de grondslag en of het verbod is gegrond op een consistent en op het doel van de instelling berustend beleid. De Commissie heeft bij de beoordeling van deze vraag echter niet tot taak de grondslag en het doel van de instelling te beoordelen. De vaststelling van de grondslag en het doel, alsmede de betekenis ervan voor het stellen van bepaalde eisen, ligt primair bij verweerster (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 18). De Commissie doet de beslissing van verweerster niet nog eens ten gronde over, maar beoordeelt of verweerster in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals zij heeft gedaan (Kamerstukken II 1991/92, 22 014, nr. 5, p. 51).
5.14 Vast staat dat de school een katholieke signatuur heeft en dat aan de ouders/verzorgers van elke aspirant-leerling wordt gevraagd de grondslag van de school te onderschrijven. Dit blijkt uit de schoolgids en is ook vastgelegd in het schoolleercontract. Daarnaast wordt in het leerlingenstatuut nader uitleg gegeven over de identiteit en de missie van de school. Verweerster heeft aangegeven dat in het kader van het vak godsdienst/bijbelkunde alle vieringen en gebedsdiensten en daarmee gepaard gaande bezoeken verplicht zijn voor de leerjaren één tot en met vier. Daarnaast heeft verweerster gemotiveerd gesteld dat met regelmaat daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de katholieke signatuur van de school, zoals bijvoorbeeld tijdens de vastenactie, gebedsdiensten en andere festiviteiten. Daar komt bij dat de school relaties onderhoudt met het bisdom, erkend is door de Nederlandse Katholieke Scholenraad en er een schoolpastor aanwezig is.
5.15 De Commissie stelt op grond van het bovengaande vast dat verweerster in de praktijk uiting geeft aan de identiteit van de school en deze identiteit consequent handhaaft. Het feit dat niet elke leerling ook daadwerkelijk de katholieke signatuur hoeft te hebben, doet aan het bovenstaande niet af nu de ouders/verzorgers van elke leerling wordt gevraagd de grondslag van de school te onderschrijven. Het hebben van een (katholieke) grondslag en het voeren van een consequent beleid terzake sluit niet uit dat de school leerlingen met een andere godsdienst zou mogen toelaten. Ook het feit dat verweerster diverse scholen in stand houdt waarop niet hetzelfde beleid wordt gevoerd ten aanzien van het dragen van een hoofddoek, doet geen afbreuk aan het eigen beleid van de school. Het is aan het bevoegd gezag om te beslissen over het bieden van ruimte aan scholen binnen haar gezagsbereik om op eigen wijze invulling te geven aan de grondslag. In dezen heeft de school gebruik gemaakt van die beleidsvrijheid.
5.16 Voorts merkt de Commissie op dat de specifieke uitzondering die verweerster heeft gemaakt voor de twee leerlingen niet duidt op een inconsequent of willekeurig beleid. Verweerster was niet eerder geconfronteerd met een soortgelijke situatie en heeft daarom gemeend voor deze twee gevallen een uitzondering op het beleid te moeten toestaan. Het eenmalig maken van een uitzondering, op een overig, naar het de Commissie is gebleken, consequent gevoerd beleid, duidt niet op willekeur. Ook anderszins is niet gebleken dat het gevoerde beleid inconsistent is met het doel van de school. Dit zou anders zijn indien verweerster regelmatig dergelijke uitzonderingen maakt of willekeurig is in de uitvoering of handhaving van haar beleid. Daarvan is in het onderhavige geval echter niet gebleken.
5.17 Nu de Commissie heeft vastgesteld dat er eveneens sprake is van een consequent beleid, komt het oordeel te luiden dat verweerster met recht een beroep kan doen op de uitzonderingsbepaling in artikel 7, tweede lid, AWGB, aangezien de kledingeisen, gelet op de doelstelling van de school, noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag.
5.18 De Commissie oordeelt derhalve dat verweerster door het handhaven van het verbod op het door middel van kleding uiten van een ander dan het katholieke geloof, waaronder begrepen het dragen van een hoofddoek vanwege een islamitische geloofsovertuiging, direct onderscheid maakt op grond van godsdienst, welk onderscheid is toegestaan op grond van artikel 7, tweede lid, AWGB. Verweerster heeft derhalve niet in strijd met de wet gehandeld.
6 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de . . . . geen verboden onderscheid maakt op grond van godsdienst door leerlingen, met een beroep op de katholieke grondslag van de school, niet toe te staan vanwege een islamitische geloofsovertuiging een hoofddoek te dragen binnen de schoolgebouwen.
Aldus gegeven te Utrecht op 5 augustus 2003 door mr. M.M. van der Burg, voorzitter, mr. M.M. den Boer en mr. dr. A.C. Hendriks, leden van de Commissie Gelijke Behandeling in tegenwoordigheid van mr. O.A.B. Luiken, secretaris.
mr. M.M. van der Burg mr. O.A.B. Luiken
Namens deze
mr. B.H.M. Werker
- Grond:
- Godsdienst
- Trefwoord:
- Godsdienst
- Hoofddoek
- Islam
- Onderwijs
- Wetsartikel:
- artikel 1 AWGB
- artikel 7 AWGB
- artikel 11 lid 1 AWGB
Een klacht indienen?

De functie om elektronisch klachten in te dienen is om technische redenen niet beschikbaar. Onze verontschuldigingen daarvoor.
Als u een klacht wilt indienen dan kunt u contact opnemen met de Commissie Gelijke Behandeling (030 888 38 88). Ook kunt u hier een klachtenformulier downloaden. Dit kunt u invullen en vervolgens sturen naar:
Commissie Gelijke Behandeling
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
Of faxen naar 030 888 38 83.
Heeft u vragen dan kunt contact opnemen met de CGB op 030 888 38 88 of via info@cgb.nl
