De staatssecretaris van justitie maakt direct onderscheid op grond van godsdienst door man met baard niet aan te nemen als hoor en beslismedewerker. Aanbeveling.

Terug naar de samenvatting »

Volledig oordeel


Oordeel
2010-10


Datum: 21 januari 2010
Dossiernummer: 2008-0294

 


op het verzoekschrift van 22 augustus 2008 van
. . . .
wonende te. . . . , verzoeker
bijgestaan door. . . . , klachtbehandelaar RADAR

tegen

. . . .
gevestigd te. . . . , verweerster
vertegenwoordigd door . . . . .
 


1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerder jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst door hem af te wijzen voor de functie van hoor- en beslismedewerker. Verzoeker heeft desgevraagd aan de Commissie laten weten het werving- en selectiebureau dat in de sollicitatieprocedure betrokken was, niet als verweerster te willen aanmerken.

1.2 Verzoeker heeft de Commissie desgevraagd aanvullende informatie gestuurd.

1.3 Verweerster  heeft schriftelijk verweer gevoerd.

1.4 Verzoeker heeft de Commissie verzocht om vanwege persoonlijke omstandigheden de zitting uit te stellen. De Commissie heeft aan dat verzoek gehoor gegeven. De Commissie heeft partijen opgeroepen de standpunten ter zitting van 19 november 2009 mondeling nader toe te lichten. Partijen zijn ter zitting verschenen.


2 Feiten

2.1 Verzoeker is van Pakistaanse afkomst en draagt als uiting van zijn islamitisch geloof een baard.

2.2 Binnen een onderdeel van verweerster, de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn in augustus 2008 vacatures ontstaan voor hoor- en beslismedewerkers. Tot de hoofdtaken van de functie behoren het horen van asielzoekers over hun vluchtrelaas en het beslissen op asielaanvragen.

2.3 In verband met de vervulling van deze functies heeft verweerster een wervings- en selectiebureau ingeschakeld. Met dit bureau heeft verweerster procedureafspraken gemaakt en zijn de wensen en functie-eisen, die verweerster van belang acht voor de vervulling van de functie, besproken.

2.4 Het werving- en selectiebureau heeft in juli 2008 een kennismakingsgesprek gevoerd met verzoeker. Het bureau heeft toen aangegeven dat verzoekers baard mogelijk een probleem kan zijn voor de uitvoering van bepaalde functies. In augustus 2008 heeft het werving en selectiebureau verzoeker gebeld en gevraagd of hij bij verweerster op sollicitatiegesprek wil komen voor de functie van hoor- en beslismedewerker. In dat telefoongesprek heeft het werving- en selectiebureau wederom aangegeven dat verzoekers baard mogelijk een belemmering kan zijn voor het vervullen van deze functie. Desalniettemin heeft het bureau verzoeker aangespoord op sollicitatiegesprek te gaan voor de functie hoor- en beslismedewerker. Alhoewel verzoeker daarom had verzocht, heeft het werving- en selectiebureau niet voorafgaande aan het gesprek aan verweerster doorgegeven dat verzoeker vanuit religieuze overwegingen een baard draagt.

2.5 Op 22 augustus 2008 hebben verzoeker en verweerster een sollicitatiegesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek heeft verweerster verzoeker gevraagd of hij zijn baard uit religieuze overwegingen draagt. Verzoeker heeft bevestigend geantwoord. Tijdens het gesprek heeft verweerster verzoeker afgewezen voor de functie.
2.6 Verweerster heeft in 2006-2007 bij de Commissie een zaak gehad waarin een vrouw met een hoofddoek niet in aanmerking kwam voor de functie van hoor- en beslismedewerker.
Naar aanleiding van deze zaak, welke heeft geresulteerd in CGB-oordeel 2007-195, is verweerster bezig een gedragscode voor haar hoor- en beslismedewerkers te ontwikkelen. Daarin zal worden opgenomen dat het dragen van religieuze en/of politieke uitingen tijdens het gehoor zijn verboden.


3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking door verzoeker af te wijzen voor de functie van hoor- en beslismedewerker.

3.2 Artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 van deze wet, bepaalt dat het verboden is onderscheid te maken op grond van godsdienst bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking. Ook een inlener, zoals verweerster, is gehouden deze bepalingen na te leven.

3.3 Onder onderscheid in de zin van artikel 1 AWGB wordt zowel direct als indirect onderscheid verstaan. Van direct onderscheid is sprake indien rechtstreeks wordt verwezen naar godsdienst. Onder indirect onderscheid moet worden verstaan onderscheid op grond van een neutraal criterium, voorschrift of handelen dat personen bijzonder treft in verband met een of meer in de wet genoemde gronden.

3.4 Voor wat betreft de betekenis van de grond godsdienst in de AWGB is het navolgende van belang. Het begrip godsdienst dient overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40; vergelijk Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met handelingsvrijheid, beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging. Het uit religieuze overwegingen dragen van een baard valt onder laatstgenoemde categorie Hieraan doet niet af dat godsdienstige voorschriften op verschillende manieren worden nageleefd en dat over het dragen van een baard en de manier waarom een baard gedragen wordt in moslimkringen verschillend wordt gedacht

3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat het dragen van een baard een uiting is van het geloof van verzoeker. Immers, tijdens het sollicitatiegesprek van 22 augustus 2008 heeft verweerster op eigen initiatief gevraagd of de baard van verzoeker een uiting was van zijn geloof. Toen verzoeker bevestigend antwoordde, heeft verweerder dit noch tijdens het gesprek, noch in haar verweerschrift van 12 februari 2009 betwist dan wel in twijfel getrokken.

3.6 Voorts heeft verweerster niet betwist dat de religieuze betekenis die verzoeker aan zijn baard toekent, de reden is geweest dat verzoeker niet is aangenomen. In het verweerschrift van 12 februari 2009 schrijft verweerster, voor zover relevant:
“Verweerder bevestigt dat het dragen van een baard om religieuze redenen inderdaad de reden is geweest om de detachering van [verzoeker] niet verder in behandeling te nemen en hem voor deze functie af te wijzen.”

3.7 Verweerster heeft hierover verklaard dat het dragen van een baard vanuit religieuze overtuiging het werk, in dit geval het afnemen van asielgehoren, belemmert. Een asielzoeker moet in alle vrijheid zijn vluchtrelaas kunnen doen en zich op geen enkele wijze gehinderd voelen. Verweerster stelt dat zij de wettelijke rechten van asielzoekers op een veilige omgeving waarin zij hun asielrelaas kunnen vertellen zodanig interpreteert dat verweerster dient te voorzien in een zo neutraal mogelijke omgeving waarin het gehoor plaatsvindt. Om die reden verwacht zij van hoor- medewerkers dat zij deze neutraliteit uitstralen en dus geen religieuze dan wel politieke uitingen zichtbaar dragen, om zo te vermijden dat asielzoekers zich geïntimideerd voelen tijdens het gehoor. Verweerster acht de rechten van een asielzoeker op een veilige hooromgeving van groter belang dan de rechten van een potentiële hoor- en beslisambtenaar om zijn godsdienst dan wel politieke overtuiging te belijden en/of uit te dragen. Verweerster heeft benadrukt dat dit te meer geldt in de eerste fase van de asielprocedure, daar asielzoekers in die fase het meest kwetsbaar zijn en nog niet op de hoogte zijn van de vrijheden en rechten die in Nederland gelden. De eis van neutraliteit geldt alleen voor medewerkers die gehoren afnemen tijdens deze eerste fase van een asielprocedure.

3.8 Verweerster heeft voorts ter zitting verklaard dat zij bij de beoordeling of een potentiële hoor- en beslismedewerker al dan niet aan de vereiste neutraliteit beantwoordt, afgaat op uiterlijke kenmerken. In casu achtte verweerster de (donkere) baard van ongeveer een centimeter in combinatie met het – naar verweersters mening –Arabische uiterlijk van verzoeker niet religieus neutraal. Verweerster heeft verklaard dat de mogelijke problemen die het – naar verweersters mening - Islamitische uiterlijk van verzoeker voor sommige asielzoekers met zich mee zou kunnen brengen, de enige reden is dat verzoeker niet is aangenomen voor de functie. Voorts heeft verweerster ter zitting verklaard dat wanneer verzoeker zou hebben geantwoord dat hij zijn baard niet uit religieuze maar uit esthetische overwegingen zou dragen, zij verzoeker waarschijnlijk zou hebben aangenomen mits hij zijn baard korter zou hebben getrimd om alle schijn van een mogelijke religieuze achtergrond te vermijden.

3.9 Verzoeker heeft tijdens het sollicitatiegesprek voorgesteld hem alleen te laten solliciteren naar de functie van beslismedewerker, zonder hoortaken. Verweerster heeft aangegeven dat het in dit geval niet mogelijk was om de functie te splitsen, omdat in verband met de achterstanden het van belang is dat beide taken worden uitgevoerd.

3.10 Door hetgeen verweerster in haar brief van 12 februari 2009 heeft geschreven en ter zitting daarover heeft toegelicht staat vast dat de reden dat verweerster verzoeker heeft afgewezen voor de functie hoor- beslismedewerker direct te herleiden is tot de discriminatiegrond godsdienst. De Commissie oordeelt derhalve dat er sprake is van direct onderscheid op grond van godsdienst bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking. Dat tijdens het onderzoek in de onderhavige zaak is gebleken dat het vermeende Arabische uiterlijk van verzoeker eveneens een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van verzoeker voor de functie, doet aan voorgaande conclusie niet af. De Commissie overweegt daaromtrent dat de verwijzing naar het niet-Nederlandse uiterlijk van verzoeker had kunnen leiden tot onderscheid op grond van ras. Nu verzoeker daarover niet heeft geklaagd, laat de Commissie dit aspect verder buiten beschouwing.

3.11 De Commissie volgt verweerster derhalve niet in haar standpunt dat er sprake is van indirect onderscheid, omdat verzoeker niet zou zijn afgewezen vanwege zijn Islamitische uiterlijk wanneer het andere functies betrof dan die van hoor- en beslismedewerker in de eerste fase.  De Commissie overweegt dat het hier gaat om de vraag of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst door hem af te wijzen voor deze specifieke functie. Dat verzoeker mogelijk zou zijn aangenomen voor andere functies bij verweerster, is voor de onderhavige zaak niet relevant.

3.12 Direct onderscheid is verboden tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is. In casu is van een wettelijke uitzondering geen sprake. De door verweerder aangevoerde neutraliteit valt niet te herleiden tot een der uitzonderingsgronden uit de gelijkebehandelingswetgeving.

3.13 Ten overvloede merkt de Commissie nog het volgende op. De Commissie onderschrijft het belang van een asielzoeker om zijn verhaal in een veilige omgeving te kunnen vertellen. Tevens ziet de Commissie dat het bieden van een neutrale omgeving daartoe in sommige gevallen kan bijdragen. Naar aanleiding van het onderzoek in de onderhavige zaak en dan met name de verklaringen van verweerster ter zitting, is de Commissie echter bezorgd over de wijze waarop verweerster invulling geeft aan de beoordeling van de neutraliteit van de potentiële hoor- en beslismedewerkers en de consequenties die dat heeft voor haar aannamebeleid.

3.14 De Commissie heeft geconstateerd dat de beoordeling of een hoor- en beslismedewerker al dan niet beantwoordt aan het neutraliteitsvereiste, geschiedt aan de hand van uiterlijke kenmerken en veronderstelde (niet onderzochte) gedachten over wat voor een asielzoeker mogelijk intimiderend kan zijn. Daarmee hanteert verweerster een ondoorzichtig en oncontroleerbaar aannamesysteem dat is gebaseerd op subjectieve inschattingen en veronderstellingen omtrent gevoelens van veiligheid, hetgeen uit gelijkebehandelingsoogpunt niet wenselijk is en kan resulteren tot impliciete uitsluitingsmechanismen die strijdig zijn met  gelijkebehandelingsnormen. De Commissie baseert haar indruk op de opmerking van verweerster ter zitting over de in voorbereiding zijnde gedragscode, waarin uiteindelijk ook kenmerken zoals afkomst zouden kunnen worden opgenomen als reden om iemand niet als hoormedewerker in te zetten aan te nemen. Verweerster heeft eveneens ter zitting als voorbeeld genoemd dat een sollicitant van Ethiopische afkomst zou kunnen worden geweigerd, omdat dat de veilige omgeving voor het horen van  Somalische asielzoekers in de weg kan staan.

3.15 Voornoemd systeem kan derhalve, zoals hierboven geïllustreerd niet alleen leiden tot uitsluiting van mensen voor het beroep van hoor- en beslismedewerker eerste fase op grond van godsdienst, waarvan in de onderhavige zaak sprake is, maar ook op grond van andere discriminatiegronden zoals bijvoorbeeld ras.


4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat . . . . jegens . . . . onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst.

5 Aanbeveling

Nu zowel in het onderhavige oordeel als in de in paragraaf 2.6 genoemde zaak hebben geleid tot het oordeel verboden onderscheid op grond van godsdienst en verweerster voornemens is om haar handelen dat aan deze oordelen ten grondslag ligt in een gedragscode vast te leggen, beveelt de Commissie verweerster aan de gedragscode ter beoordeling aan de Commissie voor te leggen.

Aldus gegeven te Utrecht op 21 januari 2010 door mr. C.A. Goudsmit, voorzitter,
mr. D. Ghidei en mr. H.J. Vilters, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. L. van den Heuvel, secretaris.

 

 

mr. C.A. Goudsmit   

 

mr. L. van den Heuvel

 

Grond:
Godsdienst
Trefwoord:
Godsdienst
Aangaan arbeidsverhouding
Islam
Openbare dienst
Overheid
Werving & selectie
Wetsartikel:
artikel 5 AWGB
geprint van: http://www.cgb.nl/node/15031/volledig