- Home
- Over CGB
- Dossiers
- Oordelen
- Publicaties
- Nieuws
- Wetgeving
- Art. 1 Grondwet
- Over de wetgeving
- Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
- Art. 7:646 t/m 7:649 BW
- Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
- Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)
- Artikel 125g en 125h van de Ambtenarenwet (AW)
- Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) voor ambtenaren
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling
- FAQ
Vereniging van Eigenaren maakt verboden onderscheid door parkeerverbod scootmobiel in gemeenschappelijke ruimte
Volledig oordeel
Oordeel
2010-35
Datum oordeel: 5 maart 2010
Dossiernummer: 2009-0231
op het verzoekschrift van 14 juni 2009 van
. . . . en . . . .
wonende te . . . . , verzoekers
tegen
. . . .
gevestigd te . . . ., verweerster
vertegenwoordigd door . . . ., secretaris
1 Procesverloop
1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift hebben verzoekers de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of de . . . . te . . . . onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap/chronische ziekte bij het uitvoeren van een overeenkomst betreffende het kopen van een woonruimte voor eigen gebruik.
1.2 Verzoekers hebben de Commissie desgevraagd aanvullende informatie gestuurd.
1.3 Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd.
1.4 Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 29 september 2009 mondeling nader toegelicht. De vertegenwoordiger van verweerster werd vergezeld door . . . ., voorzitter en . . . ., penningmeester.
2 Feiten
2.1 Verzoekers, bewonen en hebben in eigendom een appartement dat deel uitmaakt van het complex van verweerster. De vrouw heeft op 28 december 2008 een hersenbloeding gekregen en is hierdoor eenzijdig verlamd geraakt. Zij is eind juni 2009 vanuit een revalidatiecentrum terug naar huis gekomen. Zij is aangewezen op het gebruik van een scootmobiel.
2.2 Verweerster is een vereniging van eigenaren van een appartementencomplex dat bestaat uit vier verdiepingen met zeventien koopappartementen. Op de begane grond van het complex bevindt zich een parkeergarage. Iedere woning, op twee na, beschikt over een eigen parkeerplaats in de parkeergarage. Iedere woning beschikt voorts over een berging, eveneens gesitueerd in de parkeergarage. Op de etages bevinden zich gemeenschappelijk ruimtes. Er is een lift van de garage naar alle verdiepingen erboven. Er zijn 29 bewoners en de leeftijd van de bewoners varieert van 45 tot 85 jaar. Twee bewoners, onder wie verzoekster, hebben een scootmobiel.
2.3 Verzoekers hebben mondeling aan verweerster toestemming gevraagd de scootmobiel van verzoekster op een lege plek in de garage te mogen parkeren - waar ooit motors van twee vorige bewoners werden geparkeerd - dan wel op de eigen verdieping nabij de voordeur van verzoekers appartement. Beide verzoeken zijn afgewezen.
2.4 Op 10 mei 2009 hebben verzoekers verweerster gevraagd de bewoners middels een enquête te vragen hun voorkeur uit te spreken voor één van drie opties, te weten geen scootmobielparkeerplaats in de openbare ruimte, parkeren bij de eigen voordeur of parkeren op de lege plek in de garage.
2.5 Het bestuur heeft daarop de leden van de vereniging van eigenaren gevraagd te kiezen tussen het niet-bieden van parkeergelegenheid in de openbare ruimte, danwel de mogelijkheid tot parkeren bij de eigen voordeur. Het bestuur berichtte haar leden de derde optie, de lege plek in de garage, niet te hebben overgenomen omdat zij problemen voorzag voor de houders van twee (auto)parkeerplaatsen.
Van de zeventien bewoners die een stem uitbrachten, stemden er twaalf voor een verbod op het parkeren in de openbare ruimtes, wat inhield dat verzoekers alleen mogen parkeren in de eigen ruimtes. Het bestuur heeft de uitslag op 26 mei 2009 schriftelijk aan verzoekers meegedeeld.
2.6 Op 28 mei 2009 hebben verzoekers verweerster erop gewezen dat zij, volgens hen, in strijd handelt met de gelijkebehandelingswetgeving. Hierop heeft verweerster op
2 juni 2009 schriftelijk afwijzend gereageerd. Verweerster beriep zich daarbij op het Reglement van splitsing, artikel 12, lid 1 tot en met 3.
2.7 Verweerster maakt gebruik van een modelreglement en van een huishoudelijk reglement. In het modelreglement staat in artikel 12, leden 1 en 3:
“1. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht zich te onthouden van luidruchtigheid, het onnodig verblijf in de gemeenschappelijke gedeelten, voor zover deze niet voor het verblijf voor korte of lange tijd bestemd zijn, en het plaatsen van voertuigen of andere voorwerpen op plaatsen die hiervoor niet zijn bestemd [. . . .]
3. De vergadering kan tot de in het eerste en tweede lid genoemde handelingen toestemming verlenen en een reeds verleende toestemming intrekken.”
2.8 Het huishoudelijk reglement bepaalt in artikel 11, lid c, dat het verboden is rijwielen of andere voorwerpen in de hallen of bergingsrijgangen te plaatsen of tijdelijk te stallen.
3 Beoordeling van het verzoek
3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoekers onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte maakt bij het uitvoeren van een reglement als bedoeld in artikel 5:111, onder d, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Verenigingsvrijheid
3.2 Verweerster is een vereniging. In artikel 8 van de Grondwet is de verenigingsvrijheid neergelegd. Dat betekent dat het verenigingen in beginsel vrij staat om - binnen het verband van de vereniging - te handelen zoals hen goeddunkt. Daarin legt de gelijkebehandelingswetgeving hen geen beperkingen op (vgl. CGB 21 december 2006, 2006-258). Dat ligt echter in dit geval anders. In dit geval gaat het niet om verlenen van goederen of diensten op het gebied van volkshuisvesting (waarop artikel 7, eerste lid, onderdeel c, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) ziet), maar om de uitvoering van een reglement van een vereniging van eigenaren, gekoppeld aan de koop van een appartement. De vereniging van eigenaren heeft een bijzondere eigen aard (zie in het bijzonder art. 5:112 van het BW en artikel 5:124 e.v. BW). De Commissie concludeert dat het handelen van een vereniging van eigenaren jegens haar eigen leden in een geval als hier voorligt, niet wordt beschermd door de verenigingsvrijheid, en dat van haar verlangd wordt om zich ook in intern verenigingsverband aan de eisen van de
Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) te houden. Dit wordt bevestigd door de toelichting in de Kamerstukken op het wetsvoorstel, waarin de vereniging van eigenaren expliciet als normadressaat wordt genoemd (zie 3.6). Verzoekers zijn daarom ontvankelijk in hun verzoek waar het gaat om een toets aan artikel 6a, 6b en 6c WGBH/CZ.
3.3 Op 15 maart 2009 zijn artikelen 6a , 6b en 6c van de WGBH/CZ in werking getreden. Deze artikelen bepalen onder meer het volgende: artikel 6a, onderdeel a: onder woonruimte wordt verstaan een tot bewoning bestemde gebouwde onroerende zaak die een zelfstandige woning vormt, of een tot zelfstandig of onzelfstandige bewoning bestemd gedeelte van een gebouwde onroerende zaak, met inbegrip van de daarbij behorende gemeenschappelijke ruimte. Artikel 6b, onderdeel d, WGBH/CZ bepaalt dat onderscheid verboden is bij het opmaken, uitvoeren of wijzigen van een reglement als bedoeld in artikel 5:111, onder d, BW.
3.4 In artikel 1 WGBH/CZ is neergelegd dat onder onderscheid zowel direct als indirect onderscheid wordt verstaan. Artikel 2 WGBH/CZ bepaalt dat onder onderscheid ook wordt begrepen het achterwege laten van doeltreffende aanpassingen, tenzij deze voor degene tot wie het verbod van onderscheid is gericht een onevenredige belasting vormen. Artikel 6c bepaalt dat artikel 2 WGBH/CZ niet van toepassing is, indien het een bouwkundige of woontechnische aanpassing in of aan de woonruimte betreft.
3.5 Tussen partijen is niet in geschil dat verzoekster een handicap of chronische ziekte heeft in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ). Door haar ziekte ondervindt verzoekster beperkingen in de zin van deze wet (zie 2.1).
Doeltreffende aanpassing
3.6 In het voorliggende geval gaat het - onbetwist - niet om een bouwkundige of woontechnische aanpassing, maar om een aanpassing van niet-fysieke aard. In de Kamerstukken staat: “Een aanpassing van een huisregel is niet van fysieke aard en is dus geen bouwkundige of woontechnische aanpassing.” (Kamerstukken II, 2007-08, 30 859, nr. 7, p. 9). In een circulaire van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 15 april 2009, kenmerk MG 2009-03, wordt het volgende gemeld: “De plicht tot het verrichten van doeltreffende aanpassingen beperkt zich op het terrein van het wonen . . . tot immateriële zaken. . . . Een voorbeeld van een immateriële aanpassing is het verlenen van toestemming om een scootmobiel te plaatsen in de gemeenschappelijke ruimte van een woongebouw. Als dit in een akte van splitsing niet is toegestaan, zou een vereniging van eigenaren hiervoor toestemming kunnen verlenen. Dit kan echter worden geweigerd indien de plaatsing van de scootmobiel de veiligheid van mensen in gevaar zou kunnen brengen (bijvoorbeeld bij brand).” Eenzelfde soort zinsnede staat in Kamerstukken II, 2006-07, 30 859, nr. 31, onder 7: “Artikel 3 van de WGBH/CZ bepaalt dat het verbod van onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte niet geldt in de volgende gevallen. In de eerste plaats, indien het onderscheid noodzakelijk is ter bescherming van de veiligheid en de gezondheid. Een voorbeeld hiervan is het volgende. Het plaatsen van een scootmobiel kan in de akte van splitsing niet zijn toegestaan. De vereniging van eigenaren kan hiervan ontheffing verlenen. Het verlenen van ontheffing ligt in de rede indien een bewoner die in verband met zijn beperking een scootmobiel gebruikt, die scootmobiel in de gemeenschappelijk ruimte wil plaatsen. Mogelijk is echter dat het verlenen van ontheffing wordt geweigerd, bijvoorbeeld als de scootmobiel in die gemeenschappelijk ruimte de veiligheid of gezondheid van mensen in gevaar zou brengen (bijvoorbeeld bij brand).”
3.7 Het is aan degene die een doeltreffende aanpassing nodig heeft om dat aan te geven bij degene die daarvoor zou moeten zorgen. Onbetwist is dat verweerster bekend was met de behoefte van verzoekers aan een doeltreffende aanpassing.
Verzoekers hebben verklaard dat verzoekster haar scootmobiel hetzij naast haar voordeur, hetzij op een lege plek in de parkeergarage zou willen neerzetten, waarbij haar voorkeur naar het laatste uitging.
3.8 Vervolgens moet worden nagegaan of de gevraagde aanpassing geschikt en noodzakelijk is voor het doel waarvoor de aanpassing wordt gevraagd. Volgens verzoekster is dat het geval. De mogelijkheid om haar scootmobiel in de parkeergarage te kunnen parkeren, biedt haar optimale mobiliteit met behoud van leefruimte; parkeren bij de eigen voordeur is een tweede optie, maar verdient geen aanbeveling. Verweerster betwist echter de noodzaak van de gevraagde aanpassing. Volgens verweerster kunnen de scootmobiel en de auto van verzoekers naast elkaar op hun eigen parkeerplaats staan. Ook kan de scootmobiel in verzoekers’ berging worden gestald, wanneer de deur van de berging verbreed zou worden.
3.9 De Commissie overweegt dat het standpunt van verweerster er op neer komt dat zij eerst kan worden aangesproken op het verrichten van een doeltreffende aanpassing, wanneer verzoekers zelf op geen enkele manier voor een oplossing kunnen zorgen. De alternatieven die verweerster voorstelt, maken echter inbreuk op het recht op woongenot van verzoekers op gelijke voet met de andere bewoners van het appartementencomplex. Uit de parlementaire geschiedenis van de WGBH/CZ blijkt dat het kabinet mensen met een handicap of chronische ziekte dezelfde kansen wil bieden om aan de samenleving deel te nemen als mensen zonder een dergelijke beperking. Dit moet, onder meer, worden gerealiseerd door noodzakelijke voorzieningen aan gehandicapten en chronisch zieken te bieden zodat zij zo zelfstandig mogelijk kunnen functioneren. Dat betekent dat het standpunt van verweerster geen steun vindt in de wet en dat van haar aanpassingen kunnen worden verlangd.
3.10 De mogelijkheden van degene die een aanpassing verzoekt om het probleem zelf op te lossen spelen wel een rol bij het beoordelen van de proportionaliteit van de gevraagde aanpassing. Immers, een aanpassing die veel zou vragen van een ander, terwijl de verzoeker zelf het probleem eenvoudig kan oplossen, zal doorgaans als onevenredig belastend moeten worden aangemerkt. In dat verband geldt het volgende. Wat betreft de eerste optie die verweerster heeft genoemd, zijn partijen het erover eens dat wanneer de auto en de scootmobiel naast elkaar in de garage staan, het voor verzoekster erg moeilijk is om zonder hulp haar scootmobiel te gebruiken. Verweerster heeft gesuggereerd dat verzoekers hun auto buiten kunnen parkeren. Daardoor worden verzoekers echter beknot in hun woongenot, hetgeen in beginsel niet aanvaardbaar moet worden geacht, tenzij het alternatief disproportioneel belastend zou zijn voor verweerster. Hetzelfde geldt voor de tweede optie, de bergruimte.
3.11 Rest de vraag of de gevraagde aanpassing voor verweerster dermate belastend is dat deze als disproportioneel moet worden beschouwd. Verweerster stelt zich op het standpunt dat haar huishoudelijk reglement eraan in de weg staat dat voertuigen worden gestald in gemeenschappelijke ruimten die daarvoor niet bestemd zijn (zie 2.7). Verweerster kan daarvan alleen afwijken wanneer een meerderheid van de leden voor is. Uit de enquête van 10 mei 2009 blijkt dat dat in dit geval niet aan de orde is.
Verweerster verwijst voorts naar het huishoudelijk reglement dat bepaalt in artikel 11, lid c, dat het verboden is rijwielen of andere voorwerpen in de hallen of bergingsrijgangen te plaatsen of tijdelijk te stallen.
3.12 De Commissie overweegt dat verweersters reglementen geen wettelijke bepalingen terzijde kunnen schuiven, zoals die welke zijn neergelegd in de gelijkebehandelingswetgeving. Zoals uit 3.6 blijkt, heeft de wetgever juist voor ogen gehad dat een vereniging van eigenaren haar voorschriften omtrent plaatsing van een scootmobiel op grond van de WGBH/CZ onder omstandigheden zou herzien. Het enkele feit dat verweersters reglementen dit verbieden, kan dus geen reden zijn om het verzoek van verzoekers af te wijzen. Bij de plaatsing van een scootmobiel gaat het sinds de inwerkingtreding van de artikelen 6a tot en met c WGBH/CZ om een wettelijk beschermde grond; dit in tegenstelling tot andere rijwielen zoals een fiets of een motor.
3.13 Verweerster heeft voorts verklaard dat zij bang is voor een precedentwerking. De op dit moment enige andere bewoner die gebruik maakt van een scootmobiel heeft volgens haar al aangekondigd ingeval van toestemming ook gebruik te willen maken van de ruimte in de parkeergarage. De Commissie overweegt dat elk geval individueel getoetst moet worden en dat, indien zich nieuwe soortgelijke vragen voordoen, de afweging voor partijen zal moeten worden gebaseerd op de dan beschikbare ruimte om doeltreffende aanpassingen te verrichten. De vraag of een nieuw verzoek een onevenredige belasting zal opleveren, moet in die nieuwe context worden afgewogen, en kan dus mogelijk ook anders uitvallen.
3.14 Ten slotte heeft verweerster gewezen op het brandgevaar, dat het stallen van een scootmobiel volgens haar meebrengt, in het bijzonder wanneer deze op de eigen verdieping zou worden geparkeerd. Zij heeft echter, ook na nadrukkelijk verzoek van de Commissie, op geen enkele wijze onderbouwd dat of waarom het plaatsen van een scootmobiel op de lege plek in de garage of op de etage een gevaar vormt. Bij gebrek aan onderbouwing kan de Commissie de juistheid van deze stelling niet vaststellen en wordt dit verweer gepasseerd.
3.15 Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat verweerster verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van handicap of chronische ziekte door een doeltreffende aanpassing aan verzoekers te weigeren.
4 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat de . . . . jegens . . . . en . . . . verboden onderscheid maakt op grond van handicap of chronische ziekte.
Aldus gegeven te Utrecht op 5 maart 2010 door mr. M. van den Brink, voorzitter,
mr. D. Ghidei en dr. mr. Th.G.J.M. van de Burgt, leden van de Commissie Gelijke Behandeling, in tegenwoordigheid van mr. drs. J.W. Nieuwboer, secretaris.
mr. M. van den Brink mr.drs. J.W. Nieuwboer
namens deze,
mr. E.J.M. Hofhuis
Commissielid
- Grond:
- Handicap of chronische ziekte
- Trefwoord:
- Wonen
- Wetsartikel:
- artikel 6 WGBH/CZ
Een klacht indienen?

De functie om elektronisch klachten in te dienen is om technische redenen niet beschikbaar. Onze verontschuldigingen daarvoor.
Als u een klacht wilt indienen dan kunt u contact opnemen met de Commissie Gelijke Behandeling (030 888 38 88). Ook kunt u hier een klachtenformulier downloaden. Dit kunt u invullen en vervolgens sturen naar:
Commissie Gelijke Behandeling
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
Of faxen naar 030 888 38 83.
Heeft u vragen dan kunt contact opnemen met de CGB op 030 888 38 88 of via info@cgb.nl
