- Home
- Over CGB
- Dossiers
- Oordelen
- Publicaties
- Nieuws
- Wetgeving
- Art. 1 Grondwet
- Over de wetgeving
- Algemene wet gelijke behandeling (AWGB)
- Art. 7:646 t/m 7:649 BW
- Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB)
- Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ)
- Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)
- Artikel 125g en 125h van de Ambtenarenwet (AW)
- Wet onderscheid arbeidsduur (WOA)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT)
- Wet onderscheid bepaalde en onbepaalde tijd (WOBOT) voor ambtenaren
- Besluit beroepsactiviteiten waarvoor het geslacht bepalend kan zijn
- Besluit gelijke behandeling
- Besluit werkwijze Commissie Gelijke Behandeling
- FAQ
Geen feiten aangevoerd die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden bij de arbeidsomstandigheden en/of de beëindiging van de inleenovereenkomst.
Volledig oordeel
Oordeel
2010-38
Datum: 11 maart 2010
Dossiernummer: 2009-0109
op het verzoekschrift van 12 maart 2009 van
. . . .
wonende te . . . ., . . . ., verzoeker
tegen
. . . .
gevestigd te . . . ., verweerster
vertegenwoordigd door . . . ., Adviseur Human resources
1 Procesverloop
1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoeker de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de bejegening en/of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding.
1.2 De Commissie heeft verzoeker verscheidene malen gevraagd zijn verzoek te onderbouwen. Verzoeker heeft daar op 20 juni 2009, 24 juli 2009, 31 augustus 2009 en 18 november 2009 aanvullende informatie gestuurd.
1.3 Bij brief van 20 juni 2009 heeft verzoeker aangegeven tevens de uitlener als verweerder te willen aanmerken. De Commissie heeft in de zaak van verzoeker tegen de uitlener, hierna: het uitzendbureau, een oordeel uitgesproken op 11 maart 2010 met oordeelnummer 2010-39.
1.4 Verweerster heeft schriftelijk verweer gevoerd.
1.5 De Commissie heeft mede vanwege de mededeling dat verzoeker door de afstand en zijn medische toestand af wilde zien van een mondelinge behandeling van zijn zaak ter zitting, besloten de vereenvoudigde procedure toe te passen.
2 Feiten
2.1 Verzoeker heeft de Tsjechische nationaliteit en woont in Tsjechië.
2.2 Verweerster is een bedrijf dat scheepsvoortstuwingssystemen verkoopt, ontwerpt, produceert en onderhoudt.
2.3 Verzoeker en het uitzendbureau zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan, geldig van
5 november 2007 tot 5 mei 2008, welke is verlengd tot 5 mei 2009. Verzoeker is op
5 november 2007 als uitzendkracht (fase A) ingeleend door verweerster in de functie van montagemedewerker. In de vestiging van verweerster waar verzoeker werkzaam was, zijn ongeveer 650 mensen werkzaam.
2.4 Verzoeker werkte op de afdeling steerable Thrusters. Zijn functie omvatte het samenstellen, repareren en verzend gereed maken van stuurbare boeg- en tunnelschroeven. Op voornoemde afdeling werken de medewerkers in een ploegendienst. De eerste ploeg werkt van 07:00-15:30 uur, de tweede ploeg werkt van 15:30-24:00. De ploegen hebben vaste medewerkers en hebben een vaste functie- en taakomschrijving. Verzoeker werkte in de eerste ploeg.
2.5 Op twee momenten heeft verweerster met verzoeker, in het bijzijn van de accountmanager van het uitzendbureau, een formeel beoordelingsgesprek gevoerd. Allereerst op 18 maart 2008 en later op 22 september 2008. Van beide gesprekken heeft verweerster verslagen overgelegd.
2.6 Verweerster heeft op 19 december 2008 de arbeidsverhouding beëindigd.
3 Beoordeling van het verzoek
3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de bejegening en/of bij de beëindiging van de arbeidsverhouding.
3.2 Op grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel h en c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is het verboden onderscheid te maken op grond van ras bij respectievelijk de arbeidsomstandigheden en het aangaan en beëindigen van een arbeidsverhouding. Onder arbeidsomstandigheden valt volgens vaste oordelenlijn van de Commissie tevens de bejegening . Niet verweerster, maar het uitzendbureau was de formele werkgever. Echter, het verbod om onderscheid te maken bij de bejegening en/of de beëindiging van de arbeidsverhouding geldt niet alleen in de verhouding werknemer/werkgever, maar in elke verhouding waarin arbeid onder gezag van een ander wordt verricht (vergelijk onder meer CGB 11 mei 2009, 2009-37). Ook verweerster, als inlener, is derhalve gehouden aan het verbod om onderscheid op grond van ras te maken bij de bejegening en/of de beëindiging van de arbeidsverhouding.
3.3 Het begrip ras in de AWGB moet overeenkomstig het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van elke vorm van rassendiscriminatie en overeenkomstig vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ruim worden uitgelegd en omvat tevens: huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 13; HR 15 juni 1976, NJ 1976, 551 (m.nt. Van Veen)). Verzoeker meent dat jegens hem onderscheid is gemaakt vanwege zijn Tsjechische afkomst. Zodoende zal de Commissie aan de grond ras toetsen.
3.4 Op grond van artikel 10 AWGB geldt met betrekking tot de bewijslastverdeling dat de verzoekende partij feiten dient aan te voeren die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden. Indien de verzoekende partij hierin slaagt, is het aan de verwerende partij om te bewijzen dat niet in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving is gehandeld.
3.5 Verzoeker heeft gesteld dat hij discriminatoir werd bejegend door verweerster, daar hij was aangenomen om montagewerkzaamheden te verrichten maar in feite vooral schoonmaaktaken kreeg. Verzoeker stelt dat dit het gevolg was van de omstandigheid dat hij was ingedeeld in de eerste ploeg en dat deze ploeg vooral schoonmaak- en voorbereidende taken had. Verzoeker stelt dat de tweede ploeg de montagetaken had. Verzoeker stelt voorts dat de eerste ploeg vooral bestond uit medewerkers van
niet-Nederlandse afkomst en dat de tweede ploeg vooral bestond uit Nederlandse medewerkers. Verzoeker stelt voorts dat hij lang heeft moeten wachten voordat hij zijn gereedschapskist kreeg, terwijl medewerkers van Nederlandse afkomst deze gelijk op hun eerste werkdag kregen uitgereikt.
3.6 Verzoeker stelt dat hij vaak over de inhoud van de werkzaamheden heeft geklaagd bij zijn direct leidinggevende maar dat verweerster daar niks mee heeft gedaan.
3.7 Ten aanzien van de reden van de beëindiging van de arbeidsverhouding, stelt verzoeker dat verweerster tevreden was over zijn functioneren. Nu er verder geen reden is om de arbeidsverhouding te beëindigen, moet dit wel verband houden met zijn afkomst, aldus verzoeker.
3.8 Verweerster stelt dat zij verzoeker niet anders heeft behandeld dan haar andere montagemedewerkers. Zij stelt dat zij, in het kader van ‘lean manufacturing’ en het zogenaamde 5-S programma, van al haar medewerkers verlangt dat zij schoonmaakwerkzaamheden verrichten en ervoor zorgen dat de werkplek schoon en opgeruimd blijft. Verweerster betwist dat haar ploegen zijn samengesteld naar afkomst. Zij stelt dat zij veel medewerkers met verschillende nationaliteiten in dienst heeft en dat deze verspreid zijn over de gehele organisatie. Verweerster stelt ten slotte dat zij niet wist van verzoekers klachten over de aard van zijn werkzaamheden.
3.9 Met betrekking tot het beëindigen van de arbeidsverhouding met verzoeker, heeft verweerster verklaard dat verzoeker ongeschikt was voor de functie. Verweerster verwijst naar de overgelegde verslagen van de beoordelingsgesprekken met verzoeker, waaruit blijkt dat verzoeker matig functioneerde. Verweerster stelt tot slot dat verzoeker meerdere malen door zijn leidinggevende is aangesproken op zijn slechte functioneren, maar dat er geen verbetering in zat.
3.10 De Commissie constateert dat verzoeker en verweerster elkaar tegenspreken, zowel over de wijze waarop verweerster verzoeker heeft bejegend als over het functioneren van verzoeker. Verzoeker heeft zijn stellingen niet met feiten onderbouwd. Daar staat tegenover dat verweerster aan de hand van functioneringsverslagen, waarvan verzoeker er een mede heeft ondertekend, aannemelijk heeft gemaakt dat zij het functioneren van verzoeker als matig beoordeelde. Voorts stelt de Commissie vast dat verzoeker geen (verdere) feiten dan wel omstandigheden heeft aangevoerd die aantonen dat de reden van de (overigens niet vastgestelde) discriminatoire bejegening en/of de beëindiging van de arbeidsverhouding te herleiden zijn tot de afkomst van verzoeker.
3.11 De Commissie stelt vast dat er geen feiten zijn aangevoerd die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden bij de bejegening en/of de beëindiging van de arbeidsverhouding. Zodoende is niet gebleken dat verweerster verboden onderscheid heeft gemaakt in de zin van artikel 5 AWGB.
4 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat niet is gebleken dat
. . . . jegens . . . . onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de bejegening dan wel bij de beëindiging van de arbeidsverhouding.
Aldus gegeven te Utrecht op 11 maart 2010 door mr. C.A. Goudsmit, voorzitter,
in tegenwoordigheid van mr. L. van den Heuvel, secretaris.
mr. C.A. Goudsmit mr. L. van den Heuvel
- Grond:
- Ras
- Trefwoord:
- Beëindiging van arbeidsverhouding
- Wetsartikel:
- artikel 5 AWGB
Een klacht indienen?

De functie om elektronisch klachten in te dienen is om technische redenen niet beschikbaar. Onze verontschuldigingen daarvoor.
Als u een klacht wilt indienen dan kunt u contact opnemen met de Commissie Gelijke Behandeling (030 888 38 88). Ook kunt u hier een klachtenformulier downloaden. Dit kunt u invullen en vervolgens sturen naar:
Commissie Gelijke Behandeling
Postbus 16001
3500 DA Utrecht
Of faxen naar 030 888 38 83.
Heeft u vragen dan kunt contact opnemen met de CGB op 030 888 38 88 of via info@cgb.nl
