Onderscheid op grond van godsdienst door stagiaire niet toe te staan in de klas een hoofddoek te dragen

Oordeelnummer

1999-18

Samenvatting

Verzoekster werkt als stagiaire bij een openbare basisschool. De wederpartij is het bevoegd gezag van deze school. Zij droeg vanwege haar geloofsovertuiging een hoofddoek. De wederpartij vindt het in de klas dragen van de hoofddoek niet gewenst. Zij beroept zich daarbij op het karakter van het openbaar onderwijs, en eist van het onderwijzend personeel een open instelling tegenover de verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden. De Commissie oordeelt dat de wederpartij direct onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt, nu zij uitsluitend van de vooronderstelling is uitgegaan dat het dragen van een hoofddoek in de klas blijk geeft van een bepaalde, door de schoolleiding ongewenste, godsdienstige opvatting. Het had op de weg van de wederpartij gelegen verzoekster te vragen naar haar instelling tegenover levensbeschouwelijke en maatschappelijke waarden.
Grond:
Godsdienst
Trefwoord:
Godsdienst
Arbeidsvoorwaarden
Wetsartikel:
artikel 1 AWGB
artikel 5 AWGB
geprint van: http://www.cgb.nl/oordeel/1999-18