Geen verboden onderscheid op grond van leeftijd bij een beschikbare premiestaffel met een rekenrente van 4% of 3%. Verboden onderscheid op grond van leeftijd bij een beschikbare premiestaffel met een rekenrente lager dan 3%.

Oordeelnummer

2005-7

Samenvatting

Geen verboden onderscheid op grond van leeftijd bij een beschikbare premiestaffel met een rekenrente van 4% of 3%. Verboden onderscheid op grond van leeftijd bij een beschikbare premiestaffel met een rekenrente lager dan 3%. Verzoekster, een pensioenverzekeraar, heeft de Commissie verzocht om een oordeel over de vraag of een beschikbare premieregeling, waarbij de staffel is gebaseerd op een rekenrente lager dan 4%, te weten op 3% of 2%, in strijd is met de WGBL. De rekenrente van 4% in het Staffelbesluit is een uitwerking van de wettelijke uitgangpunten, zoals neergelegd in de Wet op de loonbelasting, dat een rekenrente van tenminste 4% in aanmerking wordt genomen. Historisch gezien moet de rekenrente van 4% reëel worden geacht, zodat de beoogde pensioenresultaten op het moment van pensionering voor alle leeftijdsgroepen naar verwachting gelijk zullen zijn. De rekenrente van 3% wordt door de Pensioen- en Verzekeringskamer voorgeschreven nu, vanwege het langdurig lage niveau van de marktrente, een lange termijnrente van 3% wordt verondersteld. Op grond hiervan is het aannemelijk dat de rekenrente van 3% zal resulteren in gelijke pensioenaanspraken voor verschillende leeftijdsgroepen. De staffels met een rekenrente van 4% en 3% vallen daarom onder de uitzondering van artikel 8, derde lid, WGBL en zijn daarom niet in strijd met de wet. De Commissie heeft geen aanwijzingen dat een rekenrente lager dan 3% over de lange termijn reëel moet worden geacht, waardoor het niet aannemelijk is dat hiermee voor verschillende leeftijdsgroepen gelijke resultaten zullen worden behaald. Hieruit volgt dat een staffel met een rekenrente lager dan 3% onderscheid op grond van leeftijd tot gevolg heeft. Ten aanzien van de vraag of dit onderscheid objectief gerechtvaardigd is, overweegt de Commissie dat het doel, het bewerkstelligen van gelijke pensioenaanspraken voor verschillende leeftijdsgroepen, legitiem is. Verzoekster heeft gesteld dat van de rekenrente van 4% die in het Staffelbesluit wordt gehanteerd nog 2% inflatie moet worden afgetrokken, waardoor er een rekenrente van 2% overblijft. Nu bij die 4% geen rekening wordt gehouden met de inflatie, zal dit volgens verzoekster leiden tot ongelijke pensioenresultaten voor verschillende leeftijdsgroepen. De Commissie overweegt ten aanzien van deze stelling dat bij de vaststelling van de rekenrente van 4% rekening is gehouden met de inflatie, in die zin dat er destijds vanuit is gegaan dat de hantering van een lage rekenrente beleggingsopbrengsten boven de 4% zal opleveren die kunnen worden gebruikt om onder meer de inflatie te compenseren. Daardoor bestaat er geen reden om de rekenrente van 4% te verminderen met een door verzoekster verwacht inflatiepercentage van 2%. Met een rekenrente van 2% kan niet meer gelijkheid in de uitkeringen worden bereikt, waardoor het middel niet geschikt is om het doel te bereiken. Op grond hiervan kan een staffel met een rekenrente van lager dan 3% niet objectief gerechtvaardigd worden geacht en is deze derhalve in strijd met de WGBL.
Grond:
Leeftijd
Trefwoord:
Arbeidsvoorwaarden
Beloning
Objectieve rechtvaardiging
Pensioenen
Verzekeringen
Leeftijd
Wetsartikel:
artikel 4 WGBL
artikel 7 lid 1 WGBL
geprint van: http://www.cgb.nl/oordeel/2005-7