Geen feiten aangevoerd die onderscheid op grond van ras kunnen doen vermoeden bij de arbeidsomstandigheden en/of de beëindiging van de inleenovereenkomst.

Oordeelnummer

2010-38

Samenvatting

Een man afkomstig uit Tsjechië heeft als uitzendkracht in de functie van montagemedewerker gewerkt bij een bedrijf dat handelt in scheepsvoortstuwingssystemen. De man heeft gesteld dat hij minderwaardige werkzaamheden kreeg toebedeeld en slechter in zijn werk werd gefaciliteerd in vergelijking met zijn collega’s van Nederlandse afkomst. Daarnaast heeft de man gesteld dat hij goed functioneerde en dat de reden van beëindiging van de arbeidsverhouding door de inlener derhalve gelegen moet zijn in zijn afkomst. De inlener heeft de discriminatoire behandeling van de man ontkend en stelt dat de arbeidsverhouding met de man is beëindigd vanwege matig functioneren. De Commissie oordeelt dat de man zijn stellingen niet heeft onderbouwd en dat er derhalve geen feiten zijn komen vast te staan die onderscheid op grond van ras kunnen vermoeden bij de arbeidsomstandigheden en/of de beëindiging van de arbeidsverhouding.
Grond:
Ras
Trefwoord:
Beëindiging van arbeidsverhouding
Wetsartikel:
artikel 5 AWGB
geprint van: http://www.cgb.nl/oordeel/2010-38