Meisjes moeten gezamenlijk douchen op basisschool. Geen onderscheid op grond van godsdienst.

Oordeelnummer

2007-53

Volledig oordeel

Oordeel

2007-53

Dossiernummer: 2006-0547

op het verzoekschrift van 6 oktober 2006 van

. . . .

gevestigd en kantoorhoudend te Amsterdam, verzoekster

Oordeel omtrent eigen handelen

1 Procesverloop

1.1 Bij het voornoemde verzoekschrift heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, verzocht te beoordelen of zij onderscheid maakt op grond van godsdienst door als regel te stellen dat leerlingen na de gymles douchen.

1.2 Aanleiding voor het verzoek is gelegen in de weigering van een vader van een van de leerlingen van verzoekster, om zijn dochter te laten douchen, omdat dit gebeurt in aanwezigheid van andere meisjes. De vader acht dit in strijd met de godsdienstige voorschriften die hij en zijn dochter naleven. De Commissie heeft deze vader gevraagd zijn weigering toe te lichten. De antwoorden op deze vragen en de reactie van verzoekster komen, voor zover relevant, bij de beoordeling aan de orde.

1.3 De Commissie heeft besloten de zaak zonder zitting af te doen.

2 Feiten

2.1 Verzoekster is een stichting die het bestuur vormt van een aantal basisscholen. Op een van deze scholen is een verschil van mening gerezen met een ouder die bezwaar maakt tegen de schoolregel dat leerlingen na de gymles onder de douche gaan. Jongens en meisjes gebruiken daarbij afzonderlijke afgesloten ruimtes. Bij de meisjes vindt het douchen onder begeleiding van een vrouw plaats.

2.2 De school heeft de vader voorgesteld dat het meisje mag douchen in een badpak of met ondergoed aan. De vader van het meisje heeft dit aanbod afgewezen. Hij beroept zich op zijn godsdienst. Het betreffende meisje was ten tijde van dit verzoek zeven jaar oud.

2.3 In afwachting van het oordeel van de Commissie heeft verzoekster de leerling vrijstelling verleend van het douchen.

3 Beoordeling van het verzoek

3.1 In geding is of verzoekster onderscheid maakt op grond van godsdienst door als regel te stellen dat leerlingen na de gymles onder de douche gaan.

3.2 Artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, verbiedt onder meer het maken van onderscheid naar godsdienst bij het uitvoeren van overeenkomsten door onderwijsinstellingen. Onder direct onderscheid op grond van godsdienst wordt verstaan onderscheid dat rechtstreeks verband houdt met godsdienst. Er is sprake van indirect onderscheid naar godsdienst, wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze tot gevolg heeft dat personen in verband met hun godsdienst in het bijzonder worden getroffen.

3.3 Het begrip godsdienst dient, overeenkomstig het door de Grondwet en mensenrechtenverdragen gewaarborgde recht op vrijheid van godsdienst, ruim te worden uitgelegd en omvat niet alleen het huldigen van een geloofsovertuiging, maar ook het zich er naar kunnen gedragen (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 5, p. 39-40. Vergelijk Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3, p. 29.). Dit laatste aspect van de godsdienstvrijheid, ook wel aangeduid met "handelingsvrijheid", beoogt betrokkenen onder meer in staat te stellen om hun leven volgens godsdienstige voorschriften en regels in te richten en hier ook anderszins gestalte aan te geven in de leefsituatie en omgeving (Kamerstukken II 1990/91, 22 014, nr. 3, p. 3). Hieruit volgt dat de AWGB tevens bescherming biedt aan gedragingen die, mede gelet op de betekenis van godsdienstige voorschriften en regels, rechtstreeks uitdrukking geven aan een godsdienstige overtuiging, zij het dat deze gedragingen in voorkomende gevallen kunnen worden beperkt gelet op de noodzakelijk bescherming van de rechten en vrijheden van anderen of andere in een democratische samenleving beschermwaardige belangen.

3.4 Om een beroep te kunnen doen op bescherming van de gelijkebehandelingswetgeving tegen onderscheid op grond van godsdienst, moet het verband tussen de geloofsovertuiging en de omstreden gedraging - in dit geval de weigering om het meisje samen met andere leerlingen te laten douchen - worden vastgesteld (zie 3.3). Vaak gaat het in een dergelijk geval om algemeen bekende godsdienstige voorschriften, zoals bijvoorbeeld de zondagsrust (zie CGB 12 juli 2006, oordeel 2006-147) of het dragen van een hoofddoek (recentelijk CGB 6 februari 2007, oordeel 2007-20). Het komt echter ook voor dat mensen zich beroepen op godsdienstige voorschriften die - althans in Nederland - niet of nauwelijks bekend zijn, zoals rastafari die hun haar laten groeien (zie CGB 30 augustus 2005, oordeel 2005-162)en een Nazireër die zich niet wast (CGB 23 februari 2005, oordeel 2005-28). In dat geval kan van de betrokkene worden verlangd dat hij laat zien hoe zijn gedraging verband houdt met of voortvloeit uit zijn godsdienstige overtuiging. Dit blijkt ook uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM 13 april 2006, Kosteski t. Macedonië, EHRC 2006, 73 (m.nt. J.H. Gerards)).

3.5 In dit verband heeft de vader desgevraagd verklaard dat hij moslim is en dat zijn bezwaar tegen het gezamenlijk moeten douchen zijn oorsprong vindt in - niet nader gespecificeerde - regels van de Koran. De vader stelt dat het volgens de Islam niet is toegestaan naar de (intieme delen van de) ander te kijken en dat dit ook geldt voor vrouwen onderling. Hij en zijn vrouw willen hun kinderen goed opvoeden en beschermen, in overeenstemming met hun godsdienstige overtuiging. Dit houdt onder meer in dat de moeder haar dochter, na haar twaalfde jaar, stapje voor stapje zal vertellen over zaken als het lijf en seks. Zij willen niet dat hun dochter tussen andere blote meisjes verkeert, terwijl zij daar volgens hun nog niet aan toe is. Dit bezwaar wordt niet weggenomen door het aanbod van de school om het meisje in ondergoed of badpak te laten douchen, omdat zij zich dan nog steeds temidden van andere blote meisjes bevindt, waar zij naar kan kijken. De vader heeft gezegd dat zijn dochter zelf ook niet graag met de andere meisjes wil douchen, vanwege haar geloof. Zij is verlegen en voelt zich daarbij ongemakkelijk. Zij wil zich liever thuis wassen. Voor het overige verwijst de vader de Commissie naar een imam.

3.6 De Commissie overweegt dat deze toelichting niet volstaat voor een geslaagd beroep op de bescherming van de gelijkebehandelingswetgeving. De verklaring biedt geen houvast voor de stelling dat het bezwaar van de vader verband houdt met zijn godsdienstige overtuiging. Er zou ook sprake kunnen zijn van persoonlijke of cultureel bepaalde bezwaren. Dat betekent dat verzoekster niet, althans niet op grond van de gelijkebehandelingswetgeving, gehouden is om een uitzondering te maken op haar schoolregels. Immers, de gelijkebehandelingswetgeving dwingt - onder omstandigheden - slechts tot het nemen van maatregelen, wanneer een van de door de wet beschermde gronden in het geding is.

3.7 De Commissie oordeelt daarom dat verzoekster geen onderscheid maakt op grond van godsdienst jegens de betreffende vader en de leerling, wanneer zij verlangt dat deze leerling zich houdt aan de schoolregel van het douchen na de gymles.

3.8 Ook indien mocht blijken dat het bezwaar van de vader rechtstreeks voortvloeit uit zijn godsdienstige overtuiging, is het nadelige effect van de schoolregel voor de vader en zijn dochter nog niet per se strijdig met de gelijkebehandelingswetgeving. Voor het maken van dergelijk indirect onderscheid " te weten: mensen van een bepaalde godsdienst worden onevenredig getroffen door een op zich neutrale regeling - kan een objectieve rechtvaardiging bestaan. De Commissie zal deze toets hieronder in algemene zin toelichten, nu het hier een verzoek om een oordeel eigen handelen betreft, zodat verzoekster bij een volgend, wellicht beter onderbouwd bezwaar van een ouder, zelf een inschatting kan (proberen te) maken van de toelaatbaarheid van het vasthouden aan haar schoolregels.

3.9 Of in een concreet geval sprake is van een objectieve rechtvaardiging moet worden nagegaan aan de hand van een beoordeling van het doel van het onderscheid en het middel dat ter bereiking van dit doel is ingezet. Het doel dient legitiem te zijn in de zin van voldoende zwaarwegend dan wel te beantwoorden aan een werkelijke behoefte. Een legitiem doel vereist voorts dat er geen sprake is van een discriminerend oogmerk. Het middel dat wordt gehanteerd moet passend en noodzakelijk zijn. Een middel is passend indien het geschikt is om het doel te bereiken. Het middel is noodzakelijk indien het doel niet kan worden bereikt met een middel dat niet leidt tot onderscheid, althans minder bezwaarlijk is, en het middel in evenredige verhouding staat tot het doel. Pas als aan al deze voorwaarden is voldaan levert het indirecte onderscheid geen strijd op met de gelijkebehandelingswetgeving.

3.10 De Commissie heeft de verschillende argumenten in dit geval niet diepgaand onderzocht, nu is vastgesteld dat geen gelijkebehandelingsgrond in het geding was. In het kader van een eventuele toetsing van de objectieve rechtvaardiging van de schoolregel, acht de Commissie van belang dat het doel van de schoolregel is gelegen in de door verzoekster noodzakelijk geachte hygiëne. Een dergelijk doel kan in beginsel als legitiem worden beschouwd.

3.11 De vader heeft in dit verband betoogd dat hij de noodzaak van de regel niet inziet, omdat de gymles op vrijdagmiddag plaatsvindt, en zijn dochter daarna meteen thuis in bad kan gaan. Dit suggereert dat de vader niet de legitimiteit van het doel betwist, maar slechts meent dat er goede alternatieven voorhanden zijn.

In dat verband acht de Commissie van belang dat het feit dat de leerling gedurende dit schooljaar aan het eind van de dag gym heeft, nog niet betekent dat dat alle jaren zo zal zijn; zeker wanneer ook de jongere kinderen van deze vader naar deze school zullen gaan lijkt dit moeilijk te realiseren voor de school.

3.12 Ten slotte is in dit verband de proportionaliteit van belang, dat wil zeggen de verhouding tussen de belasting die de gevraagde alternatieve oplossing voor verzoekster met zich brengt - mede in het licht van de door haar gevreesde precedentwerking - ten opzichte van de inbreuk die met de schoolregel wordt gemaakt op de mogelijkheden van de vader om zijn kinderen in overeenstemming met zijn geloofsovertuiging groot te brengen. In voorkomend geval zal verzoekster dergelijke vragen moeten beantwoorden om in het licht van de gelijkebehandelingswetgeving een afweging te kunnen maken over wensen van ouders van leerlingen.

4 Oordeel

De Commissie Gelijke Behandeling spreekt als haar oordeel uit dat verzoekster geen verboden onderscheid maakt op grond van godsdienst jegens de vader van een van haar leerlingen, door van die leerling te verlangen dat zij na de gymles doucht.

Aldus gegeven te Utrecht op 30 maart 2007 door prof. mr. A.C. Hendriks, voorzitter, mr. M. van den Brink en mr. B. Romkes, leden van de Commissie Gelijke Behandeling in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, secretaris.

mr. A.C. Hendriks

namens deze,

mr. A.G. Castermans

voorzitter

mr. A.K. de Keizer

namens deze,

mr. B. Bos

secretaris

 

Grond:
Godsdienst
Terrein:
Leveren van en toegang tot goederen en diensten - Onderwijs
Trefwoord:
Objectieve rechtvaardiging
Islam
Onderwijs
Godsdienst
Aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen en diensten
Wetsartikel:
Algemene wet gelijke Behandeling
Algemene wet gelijke Behandeling
Algemene wet gelijke Behandeling
Algemene wet gelijke Behandeling
Dictum:
Geen verboden onderscheid
geprint van: http://www.cgb.nl/oordelen/oordeel/214644/volledig