Geen onderscheid op grond van ras door de eis dat een kandidaat de Nederlandse taal mondeling en schriftelijk uitstekend moet beheersen

Oordeelnummer

2010-3

Samenvatting

Een vrouw van Amerikaanse afkomst solliciteert intern bij een middelgroot bedrijf in de financiële dienstverlening. Het bedrijf wijst de vrouw af voor de functie, omdat ze “qua gesproken woord en schriftelijke vaardigheden van de Nederlandse taal, niet aan de gewenste functie-eisen voldoet”. Tevens verklaart het bedrijf dat zij de gebrekkige beheersing van het Nederlands van de vrouw, “als geboren USA-citizen” niet kwalijk neemt. De Commissie stelt vast dat hoewel het bedrijf rechtstreeks verwijst naar de afkomst van de vrouw, er geen rechtstreeks verband bestaat tussen deze opmerking en de afwijzing. De afwijzing was er immers in gelegen dat het bedrijf de beheersing van haar Nederlands onvoldoende vond. Ook anderszins kan niet worden gezegd dat de verwijzing naar de Amerikaanse achtergrond van de vrouw op enigerlei wijze een negatieve lading heeft. Daarom oordeelt de Commissie dat het bedrijf geen direct onderscheid op grond van ras heeft gemaakt. De Commissie bevestigt in dit oordeel dat het stellen van een taaleis, kan leiden tot indirect onderscheid op grond van ras, nu deze eis in verhouding meer personen van niet-Nederlandse afkomst dan van Nederlandse afkomst zal treffen. Echter is de Commissie van oordeel dat het bedrijf deze eis mag stellen, omdat de receptioniste een bijdrage levert aan de door het bedrijf noodzakelijk geachte uitstraling, in het bijzonder naar cliënten met grote financiële belangen. Het door het bedrijf gemaakt onderscheid is daarom objectief gerechtvaardigd. Geen verboden onderscheid.

Grond:
Ras
Terrein:
Arbeid - Overig, nl
Trefwoord:
Aangaan arbeidsverhouding
Wetsartikel:
Algemene wet gelijke Behandeling
geprint van: http://www.cgb.nl/oordelen/oordeel/220092/geen_onderscheid_op_grond_van_ras_door_de_eis_dat_een_kandidaat_de_nederlandse_taal_mondeling_en_schriftelijk_uitstekend_moet_beheersen