Oordeel
2011-198
Datum: 15 december 2011
Dossiernummer: 2011-0430
Oordeel in de zaak van
Stichting Discriminatie Meldpunt Groningen
gevestigd te Groningen, verzoekster
tegen
Rijksuniversiteit Groningen
gevestigd te Groningen, verweerder
1 Procesverloop
1.1 Bij verzoekschrift van 27 juli 2011, dat op 28 juli 2011 is ontvangen, heeft verzoekster de Commissie Gelijke Behandeling, hierna: de Commissie, gevraagd te onderzoeken of verweerder in zijn beleid om het aandeel vrouwelijke hoogleraren te vergroten onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt.
1.2 Het verweerschrift van verweerder is op 9 september 2011 ontvangen.
1.3 De Commissie heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2011. Partijen zijn ter zitting verschenen. Verzoekster, vertegenwoordigd door E. Brinkhof, werd vergezeld door I. Haverkamp, beiden klachtenconsulent. Verweerder, vertegenwoordigd door [. . . ], jurist HR Experts, werd vergezeld door [. . . ], directeur HRM.
2 Feiten
2.1 Verzoekster is een stichting die ingevolge haar statuten ten doel heeft het voorkomen, signaleren, in de openbaarheid brengen en bestrijden van alle vormen van discriminatie. Verzoekster tracht dit doel onder andere te bereiken door klachtenbehandeling en het in en buiten rechte optreden tegen discriminatie.
2.2 Verweerder is een universiteit. Verweerder had in 2008 52 vrouwelijke en 352 mannelijke hoogleraren in dienst (13% resp. 87%). Verweerder heeft ten aanzien van de functie van hoogleraar twee niveaus: hoogleraar 1 en hoogleraar 2, waarvan hoogleraar 1 het hoogste niveau is. Daarnaast had hij in 2008 69 vrouwelijke en 260 mannelijke universitair hoofddocenten in dienst (22% resp. 78%). Het aandeel vrouwelijke universitair docenten was in dat jaar rond de 40%.
2.3 Verweerder heeft in het Strategisch plan Rijksuniversiteit Groningen 2010-2015 vastgelegd om het aandeel vrouwelijke hoogleraren te vergroten van 13% in 2008 naar 17% in 2010. In dit kader heeft verweerder bij besluit van 9 februari 2010 het beleid vastgesteld om in 2010 zeventien vrouwelijke universitair hoofddocenten te benoemen tot hoogleraar 2. Dit beleid is uitgevoerd in de periode van 16 februari 2010 tot 1 maart 2011. Verweerder heeft de faculteitsbesturen en de Raad van Bestuur bij brief van 16 februari 2010 bericht vóór 1 september 2010 de voordrachten in te dienen van vrouwelijke universitair hoofddocenten dan wel adjunct hoogleraren voor de benoeming tot hoogleraar 2.
2.4 Hoogleraren kunnen benoemd worden door middel van werving en selectie en door middel van persoonlijke bevordering van universitair hoofddocent naar het hoogleraarschap. Een persoonlijke bevordering vindt plaats op basis van persoonlijke kwaliteiten van de persoon in kwestie (persoonsgebonden bevordering). In het kader van het voorliggende beleid ging het om persoonsgebonden bevorderingen, waarbij een op de persoon passende leerstoel is gecreëerd.
2.5 Bij de reguliere werving- en selectieprocedure en bij de persoonsgebonden bevordering tot hoogleraar worden dezelfde, strikte kwaliteitscriteria gehanteerd.
2.6 Op basis van het beleid van verweerder, zoals vermeld onder 2.3, zijn in de periode van februari 2010 tot en met maart 2011 zeventien vrouwelijke universitair hoofddocenten voorgedragen voor benoeming tot hoogleraar 2. Twaalf van hen zijn daadwerkelijk benoemd. In diezelfde periode zijn tevens vijftien mannelijke en zes vrouwelijke universitair hoofddocenten benoemd tot hoogleraar 2 in het kader van een reguliere persoonlijke bevorderingsprocedure dan wel via een reguliere werving- en selectieprocedure. Ten tijde van de zitting is het aandeel van vrouwen in de functie van hoogleraar 16,8%.
3 Beoordeling van het verzoek
3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerder in zijn beleid om het aandeel van vrouwelijke hoogleraren te vergroten (verboden) onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de bevordering.
Ontvankelijkheid verzoekster
3.2 Op grond van artikel 12, tweede lid, onderdeel e, algemene wet gelijke behandeling (AWGB) hebben stichtingen en verenigingen een zelfstandige bevoegdheid om een verzoek om een oordeel aan de Commissie voor te leggen ingeval zij in overeenstemming met hun statuten de belangen behartigen van degenen in wier bescherming de gelijkebehandelingswetgeving beoogt te voorzien. Nu verzoekster hieraan voldoet, is zij ontvankelijk in haar verzoek.
Wettelijk kader
3.3 Ingevolge artikel 1b Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (WGB) mag het bevoegd gezag in de openbare dienst geen onderscheid maken tussen mannen en vrouwen bij onder meer de bevordering.
3.4 Ingevolge artikel 1 WGB is zowel direct als indirect onderscheid verboden. Onder direct onderscheid wordt verstaan onderscheid tussen mannen en vrouwen. Onder indirect onderscheid wordt verstaan onderscheid op grond van een neutraal criterium, voorschrift of handelen dat personen bijzonder treft in verband met één of meer in de wet genoemde gronden.
3.5 Artikel 5, eerste lid, WGB bepaalt dat van het verbod van onderscheid mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het doel (voorkeursbeleid).
Onderscheid op grond van geslacht?
3.6 Verzoekster heeft gesteld dat verweerder in zijn beleid om het aandeel vrouwelijke hoogleraren te vergroten onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt. Verzoekster heeft erop gewezen dat verweerder naast al bestaande maatregelen om het aandeel vrouwelijke hoogleraren te vergroten, het beleid heeft vastgesteld om zeventien extra vrouwen tot hoogleraar 2 te benoemen. Met dit beleid lijkt verweerder mannen uit te sluiten, althans vrouwen te bevoordelen.
3.7 Verweerder heeft aangevoerd dat het beleid is vastgesteld om de positie van vrouwen verder te verbeteren en deel uitmaakt van de uitwerking van het Charter “Talent naar de Top”, dat verweerder op 10 juni 2009 heeft ondertekend. De doelstelling om het aandeel vrouwelijke hoogleraren daadwerkelijk te vergroten is vastgelegd in het Strategisch plan Rijksuniversiteit Groningen 2010-2015. Uit de Monitor vrouwelijke hoogleraren 2009 is gebleken dat het percentage vrouwelijke hoogleraren bij verweerder van 2003 tot 2008 is gestegen met 4,4%-punt. Volgens de Glazen Plafond Index voor de periode 2003-2008, zoals omschreven in de Monitor vrouwelijke hoogleraren 2009, is binnen verweerder voor vrouwen de functieovergang van universitair hoofddocent naar hoogleraar de moeilijkste. De Glazen Plafond Index 2003-2008 laat voor mannen zien dat zij bij iedere vervolgstap van hun carrière in deze periode in de spreekwoordelijke glazen lift zaten. Op basis van deze gegevens meent verweerder dat het noodzakelijk was extra additionele persoonsgebonden leerstoelen in te stellen om de stap van universitair hoofddocent naar hoogleraar 2 voor excellente vrouwen te vergemakkelijken.
3.8 Verweerder is ervan overtuigd dat een toename van het aantal vrouwelijke hoogleraren niet vanzelf gaat. Dit heeft ondermeer te maken met de mechanismen die een rol spelen bij de benoemingsprocedure tot hoogleraar door een faculteitsbestuur. Faculteitsbesturen bestaan voornamelijk uit mannen. Dan dreigt het “Similar-to-Me effect”, dat inhoudt dat de selecteurs kandidaten die op hen lijken positiever beoordelen dan kandidaten die niet op hen lijken. Daarnaast blijkt dat de kwaliteiten van vrouwen ondergewaardeerd worden, omdat zij vaker in deeltijd werken en daardoor minder gepubliceerd hebben. Verweerder acht het urgent om met een stimulerende interventie te komen, omdat met de reeds genomen maatregelen het beoogde effect slechts ten dele was behaald. Om die reden heeft hij het beleid vastgesteld dat als doel heeft het percentage vrouwelijke hoogleraren te laten stijgen tot 17%.
3.9 Verweerder heeft voor dit beleid extra budget gereserveerd. Verweerder heeft voor de hoogleraarfuncties geen vacature geplaatst, omdat het gaat om bevordering van zittend personeel. Die bevordering is persoonsgebonden. Vrouwelijke universitair hoofddocenten hebben de gelegenheid gekregen hun dossier aan te bieden of zijn voorgedragen aan het faculteitsbestuur. Hen is gevraagd zelf hun leerstoel te formuleren. Het faculteitsbestuur besluit vervolgens of het dossier door kon naar een universiteitsbrede commissie. Op grond van die beoordeling volgt een mogelijke voordracht. Het College van Bestuur besluit vervolgens of tot benoeming wordt overgegaan. Van tevoren is er geen zekerheid dat de voorgedragen vrouwen daadwerkelijk worden benoemd. Door deze aanpak worden mannen niet uitgesloten. Voor hen blijven er ruim voldoende mogelijkheden om te worden bevorderd tot hoogleraar. Dat blijkt ook uit de cijfers over de periode dat het beleid gold: vijftien mannen zijn tot hoogleraar benoemd.
3.10 De Commissie stelt vast dat het voorliggende beleid van verweerder erop ziet het aandeel vrouwelijke hoogleraren te vergroten. Verweerder heeft in dit kader extra budget gereserveerd om de benoeming van zeventien vrouwelijke hoogleraren buiten de gebruikelijke procedures om mogelijk te maken. Op basis van dit beleid zijn uiteindelijk twaalf vrouwelijke universitair hoofddocenten bevorderd tot hoogleraar 2. Dergelijke bevorderingsmogelijkheden heeft verweerder niet gecreëerd ten aanzien van mannen.
3.11 Op grond van het voorgaande is de Commissie dan ook van oordeel dat verweerder direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de bevordering. Immers, verweerder heeft zowel bij het reserveren van het budget als bij de oproep tot voordracht rechtstreeks verwezen naar het geslacht van kandidaten.
Wettelijke uitzondering van toepassing?
3.12 Verweerder heeft aangevoerd dat hij bij de bevordering tot de functie van hoogleraar 2 een actief voorkeursbeleid voor vrouwen heeft gevoerd. Zoals vermeld onder artikel 5, eerste lid, WGB mag van het verbod van onderscheid worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid beoogt vrouwen in een bevoorrechte positie te plaatsen teneinde feitelijke ongelijkheden op te heffen of te verminderen. De Commissie toetst derhalve of het door verweerder gevoerde voorkeursbeleid aan alle vereisten voldoet.
3.13 Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJ EG), thans het Hof van Justitie van de Europese Unie, heeft in een reeks van arresten, waaronder de zaak Kalanke (HvJ EG 17 oktober 1995, zaak C-450/93, NJ 1996, 507), strikte voorwaarden geformuleerd waaraan voorkeursbeleid voor vrouwen bij de toegang tot specifieke functies moet voldoen. Het Hof heeft bepaald dat de voorkeursbepaling in artikel 2, vierde lid, van Richtlijn nr. 76/207/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen inzake gelijke behandeling mannen en vrouwen bij de arbeid (PbEG 1976, L_39) nationale maatregelen toestaat op het gebied van de toegang tot het arbeidsproces, met inbegrip van promotiekansen, die in het bijzonder vrouwen bevoordelen met het doel hen beter in staat te stellen op de arbeidsmarkt te concurreren en op voet van gelijkheid met mannen een loopbaan op te bouwen. In hetzelfde arrest bepaalt het Hof echter dat absolute en onvoorwaardelijke voorrang voor vrouwen uitsluitend op grond van hun sekse bij werving en selectie ontoelaatbaar is.
3.14 In de zaak Badeck en andere (HvJ EG 28 maart 2000, zaak C-158/97) heeft het HvJEG onder meer geoordeeld dat de voorkeursbepaling in artikel 2, vierde lid, van Richtlijn nummer 76/207/EEG zich niet verzet tegen een nationale regeling, bestaande uit een stimuleringsprogramma voor vrouwen met betrekking tot tijdelijke posten in de wetenschap waarin dwingend is vastgelegd dat moet worden voorzien in een aandeel vrouwen dat ten minste overeenkomt met het aandeel vrouwelijke afgestudeerden, promovendi en studenten, mits aan vrouwelijke kandidaten met een gelijke kwalificatie als hun mannelijke medekandidaten niet automatisch en onvoorwaardelijk voorrang wordt verleend en de sollicitaties worden onderworpen aan een objectieve beoordeling, die rekening houdt met de bijzondere persoonlijke situatie van alle kandidaten.
3.15 Op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gevoegd bij de wettelijke eisen gesteld in artikel 5, eerste lid, WGB, dient voorkeursbeleid voor vrouwen bij de toegang tot de arbeid, waaronder promotie, aan een aantal criteria te voldoen. Aangezien het in het onderhavige geval gaat om voorkeursbeleid ten aanzien van de bevordering, zijn deze criteria op de voorliggende zaak van toepassing. De criteria zijn de volgende:
a. De eis van aantoonbare achterstand. De achterstand die dient te worden aangetoond, moet gerelateerd worden aan het relevante beschikbare aanbod.
b. Het kenbaarheidsvereiste. Bij de aanbieding van de functie moet duidelijk worden vermeld dat verweerder een voorkeursbeleid voert en dat de vacature voor iedereen open staat.
c. Het zorgvuldigheidsvereiste. Er dient een objectieve beoordeling van alle kandidaten plaats te vinden, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin ieder van de kandidaten aan de functie-eisen voldoet. Benoeming van een kandidaat uit de voorkeursgroep kan alleen plaatsvinden bij gelijke geschiktheid van de kandidaat.
d. Het evenredigheidsvereiste. Het onderscheid dat wordt gemaakt met de maatregel, dient in redelijke verhouding te staan tot het doel. Dit houdt in dat de voorkeursmaatregel moet kunnen worden gerechtvaardigd door de mate van achterstand.
Alleen als aan al deze voorwaarden is voldaan, geldt het verbod op het onderscheid op grond van geslacht niet.
De eis van aantoonbare achterstand
3.16 Verweerder heeft gesteld dat in 2008 het aandeel vrouwelijke universitair docenten 40%, het aandeel van vrouwelijke universitair hoofddocenten 22% en het aandeel vrouwelijke hoogleraren 13% was. Met een verdeling van 87% mannelijke hoogleraren en 13% vrouwelijke is de achterstand wat verweerder betreft voldoende aangetoond. De achterstand komt overeen met de landelijke cijfers binnen universiteiten, zoals omschreven in de Monitor vrouwelijke hoogleraren 2009. Er was in 2008 in ieder geval binnen verweerder voldoende aanbod van vrouwen die in beginsel gekwalificeerd waren voor de positie van hoogleraar. Immers, ruim 22% van de universitair hoofddocenten was vrouw.
3.17 De Commissie overweegt ten aanzien van dit punt als volgt. Vast staat dat ten tijde van het uitvoeren van het beleid van het totaal aantal hoogleraren in dienst van verweerder 13% van het vrouwelijke geslacht en 87% van het mannelijke geslacht was. Het beschikbare aanbod vrouwen binnen verweerder was 22%, te weten het percentage vrouwelijke universitair hoofddocenten. De Commissie concludeert dan ook dat bij verweerder sprake was van een achterstand van vrouwen in de functie van hoogleraar.
Het kenbaarheidvereiste
3.18 Ten aanzien van het kenbaarheidvereiste heeft verweerder aangevoerd dat het beleid op 22 september 2009 voorlopig is vastgesteld door verweerder. Daarna is het beleid uitgebreid besproken met de Universiteitsraad. Op 9 februari 2010 is het beleid met instemming van de Universiteitsraad vastgesteld. Het beleid is kenbaar gemaakt via de gebruikelijke kanalen, onder andere via de website van verweerder.
3.19 De Commissie concludeert op basis van het voorgaande dat verweerder deugdelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij bij de bevordering tot hoogleraar 2 een voorkeursbeleid voert.
Het zorgvuldigheidsvereiste
3.20 Verweerder heeft ten aanzien van het zorgvuldigheidsvereiste aangevoerd dat met het beleid was beoogd een groep gekwalificeerde vrouwelijke universitair hoofddocenten de gelegenheid te geven hun dossier aan te bieden aan het faculteitsbestuur om voor bevordering tot hoogleraar 2 in aanmerking te komen. Bij de bevordering van universitair hoofddocent naar hoogleraar 2 zijn strikte kwaliteitscriteria gehanteerd, zoals die ook gelden bij de benoeming door middel van werving en selectie en persoonlijke bevorderingen buiten het beleid om. Er werden slechts vrouwen benoemd die blijk gaven excellent te functioneren op het gebied van onderzoek en onderwijs. Voor de desbetreffende vrouwen was er van tevoren geen zekerheid dat zij bevorderd zouden worden. Anders dan verzoekster stelt was er geen sprake van het reserveren van plekken voor vrouwen. Het betrof hier geen automatische en onvoorwaardelijke bevordering van vrouwelijke hoofddocenten. De bevordering vond plaats op grond van objectieve criteria die per wetenschapsgebied verschilden. Dat bij de uitvoering van het beleid de kwaliteitscriteria onverkort toegepast zijn, blijkt ook uit het feit dat er vijf vrouwen minder benoemd zijn dan oorspronkelijk in de bedoeling lag.
3.21 Verweerder heeft voorts aangevoerd dat door het beleid mannen niet waren uitgesloten van bevordering tot het hoogleraarschap. Voor hen waren voldoende andere mogelijkheden om bevorderd te worden tot hoogleraar, zoals door middel van werving en selectie of door middel van persoonsgebonden bevorderingen. In de periode waarin het beleid is uitgevoerd, zijn er naast de twaalf vrouwen die benoemd zijn tot hoogleraar 2, ook vijftien mannen benoemd tot hoogleraar 2.
3.22 De Commissie overweegt met betrekking tot dit punt als volgt. Hoewel het zorgvuldigheidsvereiste er niet aan in de weg staat dat verweerder gekwalificeerde vrouwen expliciet uitnodigt om deel te nemen aan de bevorderingprocedure tot hoogleraar 2, stelt de Commissie in deze vast dat verweerder met het beleid heeft beoogd om enkel en alleen gekwalificeerde vrouwelijke universitair hoofddocenten uit te nodigen en vervolgens uit de groep van gekwalificeerde vrouwelijke universitair hoofddocenten maximaal zeventien geschikte kandidaten te benoemen. Door alleen vrouwelijke universitair hoofddocenten uit te nodigen, heeft verweerder de mannelijke universitair hoofddocenten uitgesloten om, naast de bestaande reguliere bevorderingsmogelijkheden die voor zowel vrouwen als mannen openstaan, te kunnen worden benoemd op basis van het gereserveerde budget. Op grond hiervan komt de Commissie tot de conclusie dat verweerder de betreffende bevorderingsmogelijkheden niet voor alle potentiële kandidaten heeft opengesteld en dat verweerder, door op voorhand een groep uit te sluiten, niet heeft vastgesteld of er sprake was van gelijke geschiktheid, alvorens voorrang te geven aan een vrouwelijke kandidaat. De Commissie concludeert dan ook dat het voorkeursbeleid van verweerder niet voldoet aan het zorgvuldigheidsvereiste. Het feit dat in die periode ook vijftien mannen tot hoogleraar zijn benoemd, maakt het vorenstaande niet anders, nu die benoemingen hebben plaatsgevonden in het kader van het reguliere beleid en niet in het kader van het voorliggende beleid.
3.23 Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dan ook dat, nu het voorkeursbeleid van verweerder niet voldoet aan het zorgvuldigheidsvereiste en derhalve het voorkeursbeleid van verweerder ten aanzien van vrouwen niet in overeenstemming is met de eisen die aan een dergelijk beleid worden gesteld, verweerder verboden direct onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de bevordering.
Het evenredigheidsvereiste
3.24 Ten overvloede merkt de Commissie op dat het voorkeursbeleid van verweerder tevens niet voldoet aan het evenredigheidsvereiste. Ten aanzien van dit punt heeft verweerder aangevoerd dat het beleid tijdelijk was. Het tempo waarin het verschil tussen mannen en vrouwen werd ingelopen en de omvang van het verschil tussen mannen en vrouwen rechtvaardigen volgens verweerder het toegepaste beleid. Het aandeel van vrouwelijke hoogleraren is hierdoor van 13% gestegen naar 16.8%. Verweerder is van mening dat de maatregel om vrouwen een extra mogelijkheid te bieden om bevorderd te worden, naast de reguliere bevorderings- en wervingsrondes voor hoogleraren, proportioneel moet worden geacht.
3.25 De Commissie sluit niet uit dat er onder omstandigheden aanleiding kan zijn om te oordelen dat sprake is van een dusdanig uitzonderlijke situatie, dat het proportionaliteitsvereiste niet onverkort behoort te worden toegepast. In het onderhavige geval is echter geen sprake van een dergelijke bijzondere situatie. Daartoe draagt bij dat de in overweging 3.17 vastgestelde achterstand van het aantal vrouwelijke hoogleraren ten opzichte van het beschikbare aanbod 9%-punt is en dat verweerder zelf heeft gesteld dat met de bestaande maatregelen het percentage vrouwelijke hoogleraren van 2003 tot 2008 reeds was gestegen met 4,4%-punt. Deze achterstand is niet dermate hardnekkig en groot dat het een maatregel van voorkeursbeleid rechtvaardigt die functies voor vrouwen reserveert. Deze maatregel is te zwaar.
4 Oordeel
De Commissie Gelijke Behandeling spreekt op verzoek van de Stichting Meldpunt Discriminatie Groningen als haar oordeel uit dat de Rijksuniversiteit Groningen verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de bevordering.
Aldus gegeven te Utrecht op 15 december 2011 door mr. E.J.M. Hofhuis, voorzitter, mr. C.A. Goudsmit en mr dr L.P.M. Klijn, leden van de Commissie, in tegenwoordigheid van mr. N. Günes, secretaris.
mr. E.J.M. Hofhuis
mr. N. Günes