Situatie:
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag heeft een architect de opdracht gegeven een ontwerp te maken voor de nieuwe inrichting van een park in die gemeente. Het ontwerp is met instemming van de projectgroep van de gemeente voorgelegd aan de Adviescommissie Openbare Ruimte van de gemeente. De adviescommissie heeft het plan afgekeurd. Daarop heeft het College besloten de samenwerking met de architect te beëindigen en de opdracht aan een ander bureau te geven. De architect, een vrouw van Iraanse afkomst, heeft aangevoerd dat het College onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, godsdienst en/of geslacht, omdat enkele leden van de projectgroep discriminerende opmerkingen tegen haar hebben gemaakt. Ook heeft de architect aangevoerd dat het College onderscheid op grond van ras, godsdienst en/of geslacht heeft gemaakt door het besluit niet langer met haar samen te werken.
Oordeel:
De Commissie oordeelt dat niet is gebleken dat het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Den Haag jegens de architect onderscheid heeft gemaakt op grond van ras, godsdienst en/of geslacht bij de uitoefening van het vrije beroep.
Toelichting:
De Commissie is van oordeel dat zowel de gestelde discriminatoire bejegening als de beëindiging van de opdracht valt onder de reikwijdte van artikel 6 AWGB, omdat de architect hierdoor beperkt kan worden in de mogelijkheden tot uitoefening van het vrije beroep. De Commissie heeft tijdens de zitting vier leden van de projectgroep als getuige gehoord. Zij hebben ontkend dat er discriminerende opmerkingen zijn gemaakt tegen de architect. De Commissie heeft veel waarde gehecht aan de verklaringen van twee getuigen, van wie de architect niet heeft gezegd dat zij discriminatoire opmerkingen hebben gemaakt maar die deze wel zouden hebben kunnen horen. De Commissie concludeert daarom dat er geen feiten zijn komen vast te staan die kunnen doen vermoeden dat enkele leden van de projectteam discriminatoire opmerkingen tegen de architect hebben gemaakt. Het College heeft ontkend dat de architect bij de beëindiging van de samenwerking anders is behandeld dan andere ontwerpers. De reden voor de beëindiging van de samenwerking was dat het College er geen vertrouwen meer in had dat de architect het plan binnen de termijn tot een goed einde zou brengen. De Commissie heeft vastgesteld dat het College de stellingen van de architect heeft ontkend dat haar ras, godsdienst en/of geslacht een rol hebben gespeeld bij de beëindiging. Omdat ook de getuigen ontkennen dat er sprake is geweest van discriminatie en de architect haar stelling niet heeft onderbouwd, oordeelt de Commissie dat er geen sprake is van feiten die onderscheid op grond van ras, godsdienst en/of geslacht kunnen doen vermoeden bij de beëindiging van de opdracht.