De situatie
Een leerling heeft op basis van slechte prestaties een negatief studieadvies gekregen. Het gevolg van dit studieadvies is dat zij zich twee jaar niet mag inschrijven bij het ROC. Een paar maanden nadat het studieadvies is gegeven, komt de leerling erachter dat zij lijdt aan psychoses. Haar behandelteam concludeert dat haar ziekte waarschijnlijk de oorzaak is geweest van haar (slechte) schoolprestaties. Met behulp van behandeling en medicatie acht het behandelteam de leerling in staat om de opleiding met goed gevolg te hervatten. Binnen twee jaar na afgifte van het negatieve studie advies, probeert de leerling tweemaal zich opnieuw in te schrijven. Zij doet het verzoek om inschrijving eerst zelf, het tweede verzoek is opgesteld door het Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam. Het ROC wijst beide verzoeken af met een beroep op het beleid ten aanzien van negatieve studieadviezen.
Het oordeel
Het ROC maakt verboden onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte door het verzoek van de leerling tot inschrijving af te wijzen. Het ROC heeft geen onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte gemaakt bij de klachtbehandeling.
Toelichting
Door voor deze leerling geen uitzondering te maken op zijn twee-jarenbeleid maakt het ROC indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. Dit beleid treft de groep leerlingen die pas na het definitief worden van het negatief studieadvies erachter komt dat hun prestaties negatief zijn beïnvloed door een handicap of chronische ziekte, in het bijzonder. Het ROC houdt desondanks strikt vast aan het beleid, omdat het voorziet dat het maken van uitzonderingen afbreuk doet aan het gezag van negatieve studieadviezen. En dat zou ertoe kunnen leiden dat leerlingen er minder van doordrongen zijn dat zij hun best moet doen om de opleiding te behalen. De Commissie acht het belang van een leerling met een handicap of chronische ziekte om deel te nemen aan het onderwijs zwaarder dan het belang van de school om geen uitzonderingen op het beleid te maken. De leerling heeft vervolgens in de procedure ook verklaard dat haar twee verzoeken om inschrijving ook een klacht over discriminatie inhielden, maar dat deze niet als zodanig door het ROC zijn behandeld. De Commissie heeft daarover geoordeeld dat het ROC gezien de bewoordingen van de beide brieven, er niet vanuit hoefde te gaan dat het hier ging om klachten over discriminatie en ze dus ook niet als zodanig hoefde te behandelen.