Publicaties - adviezen

2011/06 inzake het beleid van en onderwijsinstelling met de vraag of dit voldoet ten aanzien van studenten met een functiebeperking

In dit advies gaat de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in op de vraag of het beleid van een onderwijsinstelling ten aanzien van studenten met een functiebeperking voldoet aan de eisen die de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) stelt.  

Samengevat zijn de belangrijkste conclusies van dit advies:

  • Indien bij de ingangstoets, of gedurende het eerste jaar van de studie, blijkt dat een student niet voldoet aan de basisgeschiktheid voor de opleiding en hiervoor geen doeltreffende aanpassing kan worden geboden, dan wel een doeltreffende aanpassing voor de onderwijsinstelling een onevenredige belasting meebrengt, is geen sprake van onderscheid in de zin van de WGBH/CZ als deze student niet wordt toegelaten tot de opleiding of de opleiding na het eerste jaar moet verlaten.
  • Indien de onderwijsinstelling bepaalde voorzieningen heeft toegekend aan een student, waarbij een alternatief kan worden afgesproken, dienen de hogeschool en daarmee ook de docenten deze voorziening ook daadwerkelijk te bieden. Hiervoor geldt niet slechts een inspanningsverplichting.
  • Door studenten gevraagde aanpassingen, die niet zijn opgenomen in de lijst met goedgekeurde voorzieningen, mogen niet worden geweigerd louter omdat ze niet op deze lijst staan. De onderwijsinstelling dient te onderzoeken of de verzochte aanpassing doeltreffend is en of deze geen onevenredige belasting voor u meebrengt.

 

De Commissie merkt tenslotte ten aanzien van het gehele protocol op, dat een op schrift gesteld beleid voor het studeren met een functiebeperking eraan kan bijdragen dat studenten met een functiebeperking op gelijke wijze als niet gehandicapte of chronisch zieke studenten kunnen deelnemen aan het onderwijs. De Commissie spreekt dan ook haar waardering uit voor het feit dat de hogeschool dit protocol heeft ontwikkeld. Wel benadrukt de Commissie dat ook de wijze waarop de hogeschool in de praktijk invulling geeft aan het protocol, bepalend is voor de vraag of wordt voldaan aan de eisen die de WGBH/CZ stelt.

Advies 2010/3: inzake concept-wetsvoorstel Integratiewet

Op 14 juli 2010 is de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) gevraagd om in het kader van de internetconsultatie advies uit te brengen over het concept-wetsvoorstel Integratiewet Awgb. In de bijlage vindt u het advies van de CGB.   De CGB heeft in 2005 advies (2005/04) uitgebracht over een eerder concept van dit wetsvoorstel. Advies 2010/3 bouwt hierop voort.   In onderdeel I van dit advies gaat de CGB in op een aantal hoofdpunten en in onderdeel II komt een aantal afzonderlijke artikelen aan de orde.
Advies 2010/2: inzake voorkeursbeleid van de Directie Organisatie- en Personeelsbeleid Rijk, ten behoeve van allochtone sollicitanten

Conclusie   Op basis van haar onderzoek concludeert de Commissie dat het voorkeursbeleid dat het ministerie van OCW wil hanteren om te bereiken dat in 2011 vijf niet-westers allochtone managers zijn benoemd bij de verschillende managementteams van het ministerie, voldoet aan de eisen die de gelijkebehandelingswetgeving stelt.   Samenvatting   Het door het ministerie van OCW voorgenomen voorkeursbeleid om in de periode tot en met 2011 te komen tot de benoeming van vijf niet-westers allochtone managers (schaal 14-15 BBRA) voldoet aan de eisen die gelden voor voorkeursbeleid voor etnische en culturele minderheden, te weten:  
  • de eis van aantoonbare achterstand: er kan worden vastgesteld dat sprake is van een achterstand bij het ministerie van OCW van niet-westerse allochtone medewerkers in de schalen 12-15 BBRA, in vergelijking tot het potentieel beschikbare aanbod op de arbeidsmarkt;
  • de zorgvuldigheidseis: het ministerie van OCW heeft aangegeven dat de benoeming van vijf niet-westers allochtone managers in twee jaar, geen resultaatverplichting is maar een streefgetal dat een inspanningsverplichting uitdrukt. Tevens is aangegeven dat een kandidaat uit de doelgroep uitsluitend voorrang heeft bij gelijke geschiktheid van de kandidaat en dat de geschiktheid van deze kandidaten vergelijkenderwijs met die van kandidaten die niet behoren tot de doelgroep, wordt beoordeeld;
  • de evenredigheidseis: de voorkeursmaatregel is gerechtvaardigd door de mate van achterstand. Verder is van belang dat het een tijdelijke maatregel betreft;
  • de kenbaarheidseis: indien het ministerie van OCW in de vacature vermeldt dat de vacature openstaat voor iedereen en dat een voorkeursbeleid wordt gevoerd voor kandidaten van niet-westers allochtone afkomst, voldoet het ministerie daarmee aan het kenbaarheidvereiste.
  Voorts geldt dat:  
  • in de advertentietekst genoemde competenties neutraal moeten zijn geformuleerd, opdat iedereen ongeacht etniciteit daaraan in beginsel kan voldoen.
  • als een zoekopdracht wordt gegeven aan een gespecialiseerd bemiddelings- of rekruteringsbureau, niet de opdracht mag worden gegeven om uitsluitend kandidaten uit etnische of culturele minderheidsgroepen voor te dragen. Verder is het van belang dat de opdrachtgever (het Rijk) uitsluitend opdrachten geeft aan bureaus die in hun eigen werkwijze handelen conform de gelijkebehandelingswetgeving (zie het CGB advies over doelgroepgerichte uitzenden bemiddelingsbureaus, advies 2009-7).
Advies 2010/1: inzake het stellen van voorwaarden aan het wervings- en selectiebeleid van organisaties die taken voor de gemeente uitvoeren

Advies aan de gemeente Amsterdam i.v.m. de uitvoering van de 'motie Flos'   De strekking van de in de gemeenteraad aangenomen ‘motie Flos’ lijkt het voorkomen van een eenzijdig naar religie, politieke gezindheid, culturele achtergrond of afkomst samengesteld personeelsbestand, van organisaties die door de gemeente gefinancierde taken uitvoeren ten behoeve van alle Amsterdammers. Hoofdregel van de gelijkebehandelingswetgeving is dat werkgevers zo’n selectie op in de wet genoemde gronden niet mogen maken, omdat zij daarmee discrimineren. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Het kan voor de gemeente een oplossing zijn om in de overeenkomsten met organisaties de voorwaarde op te nemen dat zij zich voor hun wervings- en selectiebeleid aan de spelregels van de gelijkebehandelingswetgeving houden.   Hieronder staan allereerst de vragen die door de gemeente Amsterdam aan de Commissie Gelijke Behandeling zijn voorgelegd:  
  1. Wanneer komt een werkgever in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving, als deze in zijn wervings- en selectiebeleid selecteert op godsdienst (of levensovertuiging), politieke gezindheid, geslacht, seksuele gerichtheid of (etnische) afkomst? In samenhang daarmee:
  2. Welke voorwaarden mag een gemeente stellen aan organisaties met wie zij een relatie aangaat m.b.t. het aanbieden van diensten (aan de gemeente), aangaande de selectie van personeel van deze organisaties?
  3. Kan de gemeente bij het verstrekken van subsidies aan organisaties die voor haar diensten verzorgen en/of bij het aangaan van overeenkomsten met aanbieders van diensten, de eis stellen dat een dergelijke organisatie zich onthoudt van godsdienstige of politieke ‘wervings- of bekeringsactiviteiten’ onder het Amsterdamse publiek tot wie deze organisatie zich richt bij de uitvoering van de met de gemeente Amsterdam overeengekomen diensten?
geprint van: http://www.cgb.nl/publicaties/adviezen