In dit advies gaat de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) in op de vraag of het beleid van een onderwijsinstelling ten aanzien van studenten met een functiebeperking voldoet aan de eisen die de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (WGBH/CZ) stelt.
Samengevat zijn de belangrijkste conclusies van dit advies:
- Indien bij de ingangstoets, of gedurende het eerste jaar van de studie, blijkt dat een student niet voldoet aan de basisgeschiktheid voor de opleiding en hiervoor geen doeltreffende aanpassing kan worden geboden, dan wel een doeltreffende aanpassing voor de onderwijsinstelling een onevenredige belasting meebrengt, is geen sprake van onderscheid in de zin van de WGBH/CZ als deze student niet wordt toegelaten tot de opleiding of de opleiding na het eerste jaar moet verlaten.
- Indien de onderwijsinstelling bepaalde voorzieningen heeft toegekend aan een student, waarbij een alternatief kan worden afgesproken, dienen de hogeschool en daarmee ook de docenten deze voorziening ook daadwerkelijk te bieden. Hiervoor geldt niet slechts een inspanningsverplichting.
- Door studenten gevraagde aanpassingen, die niet zijn opgenomen in de lijst met goedgekeurde voorzieningen, mogen niet worden geweigerd louter omdat ze niet op deze lijst staan. De onderwijsinstelling dient te onderzoeken of de verzochte aanpassing doeltreffend is en of deze geen onevenredige belasting voor u meebrengt.
De Commissie merkt tenslotte ten aanzien van het gehele protocol op, dat een op schrift gesteld beleid voor het studeren met een functiebeperking eraan kan bijdragen dat studenten met een functiebeperking op gelijke wijze als niet gehandicapte of chronisch zieke studenten kunnen deelnemen aan het onderwijs. De Commissie spreekt dan ook haar waardering uit voor het feit dat de hogeschool dit protocol heeft ontwikkeld. Wel benadrukt de Commissie dat ook de wijze waarop de hogeschool in de praktijk invulling geeft aan het protocol, bepalend is voor de vraag of wordt voldaan aan de eisen die de WGBH/CZ stelt.